In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 november 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de bewaring van een vreemdeling. De eiser, een man van Marokkaanse nationaliteit, was op 3 november 2025 door Zwitserland aan Nederland overgedragen op basis van de Dublinverordening. De minister van Asiel en Migratie had de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000, met als doel de identiteit en nationaliteit van de eiser vast te stellen en gegevens te verkrijgen voor de beoordeling van zijn asielaanvraag.
De eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, waarbij hij aanvoerde dat hij op een onjuiste wettelijke grondslag was opgehouden. Hij stelde dat de minister niet over identificerende documenten beschikte en dat de ophouding op basis van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet had moeten plaatsvinden. De rechtbank heeft de zaak op zitting behandeld, waarbij de eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was.
De rechtbank heeft overwogen dat de gronden voor de maatregel van bewaring niet zijn bestreden door de eiser en dat er geen aanleiding was om te oordelen dat deze gronden de maatregel niet konden dragen. De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en verklaarde het beroep ongegrond. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak werd openbaar gemaakt op 19 november 2025.