ECLI:NL:RBDHA:2025:22547

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
NL25.54225
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van vreemdeling op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en de Dublinverordening

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 november 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de bewaring van een vreemdeling. De eiser, een man van Marokkaanse nationaliteit, was op 3 november 2025 door Zwitserland aan Nederland overgedragen op basis van de Dublinverordening. De minister van Asiel en Migratie had de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000, met als doel de identiteit en nationaliteit van de eiser vast te stellen en gegevens te verkrijgen voor de beoordeling van zijn asielaanvraag.

De eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, waarbij hij aanvoerde dat hij op een onjuiste wettelijke grondslag was opgehouden. Hij stelde dat de minister niet over identificerende documenten beschikte en dat de ophouding op basis van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet had moeten plaatsvinden. De rechtbank heeft de zaak op zitting behandeld, waarbij de eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was.

De rechtbank heeft overwogen dat de gronden voor de maatregel van bewaring niet zijn bestreden door de eiser en dat er geen aanleiding was om te oordelen dat deze gronden de maatregel niet konden dragen. De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en verklaarde het beroep ongegrond. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak werd openbaar gemaakt op 19 november 2025.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.54225
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998.
2. Eiser voert aan dat hij op een onjuiste wettelijke grondslag (artikel 50, derde lid van de Vw) is opgehouden. Verweerder beschikt niet over identificerende documenten van eiser en eiser is bekend onder aliassen. De ophouding had volgens eiser daarom gebaseerd moeten zijn op artikel 50, tweede lid, van de Vw.
3. Eiser is op 3 november 2025 op grond van de Dublinverordening door Zwitserland overgedragen aan Nederland. Uit het ‘proces-verbaal staandehouding/overbrenging/ophouding’ (M105) blijkt dat de verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee bij aankomst van het vliegtuig met daarin eiser op [luchthaven] van een bemanningslid een envelop hebben ontvangen met daarin een door de Zwitserse autoriteiten voor eiser afgegeven Dublin laissez-passer (lp). Aan de hand hiervan hebben de verbalisanten, die eiser eerst hebben staandegehouden, de identiteit van eiser onmiddellijk kunnen vaststellen. Dat er op de lp andere personalia van eiser stonden maakt dat niet
anders. Gelet hierop ziet de rechtbank in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de ophouding ten onrechte heeft plaatsgevonden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet.
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
5. Eiser heeft de gronden van de maatregel niet bestreden. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden de maatregel niet kunnen dragen.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.