ECLI:NL:RBDHA:2025:22548

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
NL25.54213
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van vreemdeling met onjuiste grondslag en belangenafweging in bestuursrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 november 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de bewaring van een Nigeriaanse vreemdeling. De minister van Asiel en Migratie had op 30 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. Tijdens de zitting op 17 november 2025 is de vreemdeling verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. De rechtbank heeft de gronden van de bewaring beoordeeld en vastgesteld dat de minister ten onrechte een verkeerde grondslag voor de ophouding heeft gehanteerd. Ondanks dit gebrek heeft de rechtbank geoordeeld dat de belangen van de minister om de vreemdeling in bewaring te houden zwaarder wegen dan de belangen van de vreemdeling. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, maar heeft de minister wel veroordeeld in de proceskosten van de vreemdeling tot een bedrag van € 1.814,-. De rechtbank heeft daarbij benadrukt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel kon worden toegepast, maar dat dit niet leidde tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring. De uitspraak is openbaar gemaakt op 19 november 2025.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54213
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P. Oronsaye. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft de gronden van de maatregel niet bestreden. De rechtbank ziet ambtshalve toetsend verder geen aanleiding om de overgebleven gronden onvoldoende te vinden om de maatregel te dragen.
Staandehouding
4. Eiser voert aan dat er sprake is geweest van een verkapte vreemdelingenrechtelijke staandehouding.
5. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de verbalisanten een melding hebben ontvangen om naar een supermarkt toe te gaan, omdat daar twee mannen spullen uit de supermarkt verstopten in hun tas en dat deze mannen bij de supermarkt bekend staan als agressieve winkeldieven. Toen de verbalisanten ter plaatse kwamen troffen zij twee mannen aan bij de uitgang van de supermarkt. Vervolgens heeft een verbalisant aan een van deze mannen, eiser, gevraagd om een geldig legitimatiebewijs te tonen. Eiser heeft daarop zijn W-document getoond. De verbalisant heeft na controle van deze gegevens geconstateerd dat eiser verwijderbaar is. Daarop is contact opgenomen met AVIM. AVIM heeft de verbalisant laten weten dat het W-document van eiser sinds juli 2025 ongeldig is. Daarop is eiser aangehouden op grond van de Wet op de identificatieplicht, omdat hij geen geldig legitimatiebewijs kon tonen.
6. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande voldoende duidelijk blijkt dat er sprake was van een strafrechtelijke staandehouding en aanhouding en dat er geen aanwijzingen zijn dat er sprake is geweest van een vreemdelingenrechtelijke staandehouding. De beroepsgrond slaagt niet.
Gebruik van handboeien
7. Eiser voert aan dat nu uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek niet blijkt of er bij de overbrenging gebruik is gemaakt van handboeien, hij er vanuit gaat dat deze zijn gebruikt en dat dit de inbewaringstelling onrechtmatig maakt.
8. De rechtbank overweegt dat, zoals de minister ook ter zitting heeft toegelicht, uit het dossier blijkt dat eiser zich ten tijde van de strafrechtelijke heenzending en overname al bevond op een plaats bestemd voor verhoor, namelijk [adres] in [plaats] . De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunt voor het standpunt van eiser dat gebruik is gemaakt van handboeien.

Grondslag ophouding

9. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij op een onjuiste grondslag is opgehouden: op het moment van de vreemdelingenrechtelijke staandehouding was duidelijk wie hij was, zodat hij had moeten worden opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. Hij is echter opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw. De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de grondslag van de ophouding inderdaad artikel 50, derde lid, van de Vw had moeten zijn.
10. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat eiser op een onjuiste grondslag is overgebracht en opgehouden. Een dergelijk gebrek leidt echter eerst tot opheffing van de maatregel als de belangen van de vreemdeling om zijn uitzetting in vrijheid af te wachten groter zijn dan de belangen van de minister om eiser in bewaring te houden totdat hij kan worden uitgezet. De rechtbank overweegt hierbij dat de gronden de maatregel kunnen dragen en dat hieruit voortvloeit dat sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de belangen van de minister zwaarder wegen dan die van eiser, zodat deze beroepsgrond niet slaagt. De rechtbank ziet hierin echter wel aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Lichter middel

11. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Eiser heeft immers aangegeven dat hij een dochter in Italië heeft en de minister heeft dit niet bij de afweging betrokken.
12. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. In de maatregel is in dit kader terecht overwogen dat eiser eerder niet verschenen is bij een geplande Dublinoverdracht aan Frankrijk en dat eiser zich vervolgens 18 maanden aan het toezicht heeft onttrokken. Dat in de maatregel niets is overwogen ten aanzien van de dochter van eiser maakt niet dat de motivering onvoldoende is. Eiser heeft weliswaar in het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring verklaard dat hij een dochter heeft die woonachtig is bij haar moeder in Italië, maar hij heeft desgevraagd ook aangegeven dat hij met haar geen contact heeft. Hierin heeft de minister dan ook geen aanknopingspunt voor familieleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) hoeven te zien. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de minister niet heeft hoeven te volstaan met de oplegging van een lichter middel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
14. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
16. Als gevolg van het in rechtsoverweging 10 geconstateerde gebrek veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1)..

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.