Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, werd op 30 oktober 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 17 november 2025.
De minister motiveerde de bewaring met het oog op het vaststellen van identiteit en nationaliteit en het verkrijgen van gegevens voor de asielaanvraag. Eiser betoogde dat sprake was van een vreemdelingenrechtelijke staandehouding, terwijl de rechtbank oordeelde dat het een strafrechtelijke staandehouding betrof. Tevens stelde eiser dat hij onrechtmatig was opgehouden vanwege het gebruik van handboeien en een onjuiste grondslag voor ophouding.
De rechtbank concludeerde dat de ophoudingsgrond onjuist was, maar dat dit gebrek niet leidt tot opheffing van de maatregel omdat de belangen van de minister zwaarder wegen. De rechtbank vond dat geen lichter middel dan bewaring doeltreffend was, mede gelet op eerdere ontduiking van toezicht door eiser. De motivering van de minister was voldoende, ook ondanks het niet betrekken van het familieleven van eiser. Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen, maar de minister werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.