De minister van Asiel en Migratie legde op 2 november 2025 aan eiser, een Algerijnse vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, de maatregel van bewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 21 november 2025, waarbij eiser afstand deed van het recht op mondelinge behandeling.
De minister baseerde de bewaring op zware gronden zoals het risico dat eiser zich aan toezicht onttrekt, het ontwijken van uitzettingsprocedures en het niet meewerken aan identificatie, alsmede lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. De rechtbank stelde vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de bewaring niet betwistte en dat de gronden niet werden weersproken. Ambtshalve toetsing gaf geen aanleiding tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig was.
De rechtbank oordeelde dat een lichter middel niet toereikend is om de uitzetting te waarborgen, mede omdat eiser niet uit eigen beweging aan de vertrekplicht voldoet. De medische situatie van eiser rechtvaardigde geen ander middel. De minister handelde voortvarend en er is zicht op uitzetting naar Algerije, mede gelet op recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het ontbreken van tegenbericht van Algerijnse autoriteiten.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na bekendmaking.