In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 28 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van bewaring van een vreemdeling, eiser, die van Marokkaanse nationaliteit is. De minister van Asiel en Migratie had op 1 november 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat ook als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. Tijdens de zitting op 21 november 2025 heeft de rechtbank het beroep behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals een tolk. De minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft de gronden van de bewaring beoordeeld en vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft eerder een terugkeerbesluit en inreisverbod gekregen, en zijn asielaanvragen zijn afgewezen. De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring op de juiste grondslag is opgelegd en dat er voldoende risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank heeft ook de medische omstandigheden van eiser in overweging genomen, maar oordeelt dat deze niet leiden tot de noodzaak van een lichter middel. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en er is een mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.