De minister heeft op 1 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, heeft hiertegen beroep ingesteld dat tevens als verzoek om schadevergoeding geldt. De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 behandeld en de procedure met aanwezigheid van partijen en tolk gesloten.
De minister baseerde de bewaring op het risico dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken en de uitzettingsprocedure belemmert. Hoewel de minister lichte grond 4e heeft laten vallen, zijn de overige zware en lichte gronden niet betwist en voldoende om de maatregel te dragen. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf, zijn eerdere asielaanvragen zijn afgewezen of buiten behandeling gesteld, en hij valt onder de categorie vreemdelingen waarvoor bewaring is toegestaan.
Eiser stelde dat hij vanwege het ontbreken van identificatiedocumenten een lichter middel zoals een meldplicht zou moeten krijgen en verwees naar medische problemen. De rechtbank oordeelde dat een lichter middel niet doeltreffend is gezien het risico op onttrekking en dat medische zorg binnen het detentiecentrum beschikbaar is. De minister heeft voortvarend gehandeld met vertrekgesprekken en rappelleringen. Er is zicht op uitzetting naar Marokko, en geen aanwijzingen dat de Marokkaanse autoriteiten geen laissez-passer zullen verstrekken.
De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is opgelegd, verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.