ECLI:NL:RBDHA:2025:22550

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
NL25.54694
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een vreemdeling op grond van de Vreemdelingenwet met betrekking tot risico op onttrekking aan toezicht

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 28 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van bewaring van een vreemdeling, eiser, die van Marokkaanse nationaliteit is. De minister van Asiel en Migratie had op 1 november 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat ook als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. Tijdens de zitting op 21 november 2025 heeft de rechtbank het beroep behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals een tolk. De minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft de gronden van de bewaring beoordeeld en vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft eerder een terugkeerbesluit en inreisverbod gekregen, en zijn asielaanvragen zijn afgewezen. De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring op de juiste grondslag is opgelegd en dat er voldoende risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank heeft ook de medische omstandigheden van eiser in overweging genomen, maar oordeelt dat deze niet leiden tot de noodzaak van een lichter middel. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en er is een mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54694

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P. Loijenga).

Inleiding

1. De minister heeft op 1 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn op de rechtbank verschenen. Er is ook een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, en omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(
zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en de vreemdeling daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van de identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
(
lichte gronden)
4a. zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld;
3. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Daarnaast heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf. Op 25 november 2024 is aan hem een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. De tweede asielaanvraag van eiser is op 22 juli 2025 buiten behandeling gesteld. De derde asielaanvraag van eiser is op 25 september 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond en staat in rechte vast. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
7. De minister heeft op de zitting lichte grond 4e laten vallen.
7.1.
Eiser heeft de overige zware en lichte gronden niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Dit is voldoende om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
8. Eiser voert aan dat hij niet aan identificerende documenten kan komen en de bewaring daarom geen doel heeft. Om die reden moet een lichter middel zoals een meldplicht worden opgelegd. De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. De zware en lichte gronden zijn terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd en daaruit volgt het risico op onttrekking. Daarbij speelt ook een rol dat eiser zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken door eind 2024 met onbekende bestemming te vertrekken. Een lichter middel volstaat daarom niet om de uitzetting van eiser te verzekeren.
8.1.
Eiser geeft aan medische problemen te hebben. Hij is somber, heeft astma en pijn aan zijn testikel. Op de zitting heeft eiser brieven aan zijn gemachtigde laten zien met daarop afspraken bij de medische dienst in Ter Apel. Eiser geeft aan naar deze afspraken te moeten maar daar niet de gelegenheid voor te krijgen. De rechtbank stelt vast dat deze afspraken zien op de periode voorafgaand aan deze bewaring en dus niet, zoals eiser stelt, betrekking hebben op de huidige bewaring. Los daarvan kan eiser zich met medische problemen of medische afspraken wenden tot de medische dienst van het detentiecentrum Rotterdam. Eiser is hier door de minister bij het opleggen van de maatregel ook op gewezen. De medische omstandigheden van eiser zijn voldoende bij het opleggen van de maatregel betrokken. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
Voortvarendheid
9. De minister heeft op 5 november 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd en op 6 november 2025 schriftelijk gerappelleerd op de op 3 oktober 2025 verzonden lp [2] -aanvraag. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
10. De rechtbank overweegt dat in het algemeen zicht op uitzetting naar Marokko niet ontbreekt. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling [3] van 27 januari 2025 [4] , waarin nogmaals is geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen bestaat. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Er is geen aanleiding voor het vermoeden dat de Marokkaanse autoriteiten geen lp voor eiser zullen verstrekken.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [5]
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Laissez-passer.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Zie ook het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647).