ECLI:NL:RBDHA:2025:22554

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
NL25.41810
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid van de rechtbank in asielzaak met betrekking tot beëindiging bevriezingsmaatregel

Op 27 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een asielzaak waarbij de rechtbank zich onbevoegd verklaarde om van het beroep kennis te nemen. De zaak betreft een brief van de minister van Asiel en Migratie, waarin werd meegedeeld dat de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 eindigt. Eiser had eerder beroep ingesteld tegen deze brief en verzocht om een voorlopige voorziening, maar dit verzoek werd op 29 oktober 2025 afgewezen. Tijdens de zitting op 27 november 2025 waren eiser, diens gemachtigde en de gemachtigde van de minister aanwezig. De rechtbank oordeelde dat de brief van 16 juli 2025 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank stelde vast dat er eerder een terugkeerbesluit aan eiser was opgelegd op 21 februari 2024, en dat de asielaanvraag van eiser op 30 augustus 2023 buiten behandeling was gesteld. Aangezien eiser geen beroep had ingesteld tegen deze besluiten, stonden deze in rechte vast. De rechtbank concludeerde dat de beëindiging van de bevriezingsmaatregel geen nieuwe rechtsgevolgen met zich meebracht, en dat de rechtbank daarom onbevoegd was om het beroep inhoudelijk te beoordelen. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd openbaar gemaakt op dezelfde dag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.41810

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

27 november 2025 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J.R. Sotthewes-de Jonge).

Procesverloop

1. Bij brief van 16 juli 2025 heeft de minister eiser laten weten dat de bevriezingsmaatregel eindigt per 4 september 2025. Daarin is aan eiser meegedeeld dat hij Nederland binnen 4 weken moet verlaten.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de brief van 16 juli 2025 en verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening [1] op 29 oktober 2025 afgewezen.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
1.3.
Na afloop van de zitting is onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.

Overwegingen

2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2.1.
De rechtbank stelt vast dat aan eiser op 21 februari 2024 een terugkeerbesluit is opgelegd. De asielaanvraag van eiser is met het besluit van 30 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Eiser heeft geen beroep ingesteld tegen voornoemde besluiten, zodat de besluiten in rechte vaststaan.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat de brief van 16 juli 2025 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. [2] De facultatieve tijdelijke bescherming voor de groep derdelanders is per 4 maart 2024 geëindigd. De brief van 16 juli 2025 informeert over de gevolgen van de beëindiging van de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025. Met deze informatiebrief zijn echter geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven geroepen. De rechtsgevolgen zijn namelijk het gevolg van de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming zelf en van het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit. Omdat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is dat onherroepelijk geworden. Dat de Afdeling [3] later, in de uitspraak van 23 april 2025, heeft geoordeeld dat de terugkeerbesluiten te vroeg waren genomen maakt dit niet anders. Ook is het terugkeerbesluit niet ingetrokken met de brief van 16 juli 2025. De rechtbank is verder van oordeel dat de bevriezingsmaatregel geen rechtmatig verblijf geeft, zodat bij de beëindiging daarvan geen nieuw terugkeerbesluit vereist is. De rechtbank verwijst naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 31 oktober 2025. [4] Deze uitspraak is niet gepubliceerd en wordt bijgevoegd. De beëindiging van de bevriezingsmaatregel is evenmin een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.
2.3.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025 door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt en door middel van gepseudonimiseerde publicatie openbaar gemaakt op rechtspraak.nl.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.NL25.41811.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.