ECLI:NL:RBDHA:2025:22585

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
SGR 23/7916
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging herroeping omgevingsvergunning met in stand laten rechtsgevolgen

Eiser ontving op 24 maart 2023 een omgevingsvergunning voor verbouw en verduurzaming van zijn woning. Het college herroept deze vergunning op 24 oktober 2023 na bezwaren van derden. Eiser startte een beroepsprocedure tegen deze herroeping.

Tijdens de procedure verleende het college op 8 april 2024 drie nieuwe omgevingsvergunningen voor hetzelfde bouwproject, die onherroepelijk zijn geworden. Eiser is met deze vergunningen begonnen met bouwen en heeft verklaard geen gebruik meer te maken van de oorspronkelijke vergunning.

De rechtbank oordeelt dat eiser ondanks de nieuwe vergunningen procesbelang behoudt vanwege gestelde schade door vertraging en verhoogde bouwkosten. Het college erkent dat de herroeping onterecht was, omdat de wijzigingen aan de achtergevel geen aan- of uitbouw betroffen maar een uitbreiding van het hoofdgebouw die niet in strijd is met het bestemmingsplan.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van herroeping, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand om te voorkomen dat de oorspronkelijke vergunning weer tot leven komt, aangezien eiser die niet meer wil gebruiken. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met in stand laten van de rechtsgevolgen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7916

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. A. Franken van Bloemendaal)
en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, het college

(gemachtigde: S. Verouden, werkzaam bij de Omgevingsdienst West-Holland).

Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:

[derde-partij 1] , [derde-partij 2] , [derde-partij 3] , [derde-partij 4] , [derde-partij 5] , [derde-partij 6] , [derde-partij 7] en [derde-partij 8] , allen uit [woonplaats] .

Samenvatting

1. Met het primaire besluit van 24 maart 2023 is aan eiser een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen en verduurzamen van zijn woning aan de [adres] in [plaats] . De vergunde werkzaamheden omvatten het verhogen van het dak, het plaatsen van een dakkapel aan de voorzijde van de woning, het isoleren van de gevels, het plaatsen van een klein balkon en het uitbreiden van de woning over twee bouwlagen aan de achterzijde.
1.1.
Met het besluit van 24 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft het college de door derde-partijen gemaakte bezwaren gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser tegen het bestreden besluit gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Eiser heeft nadere gronden ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn partner en de gemachtigde van het college. Aan de zijde van derde-partijen zijn verschenen: [derde-partij 4] en [derde-partij 8] .

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser nog procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep?
3. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of eiser nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
3.1.
Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een door hem ingestelde procedure. Daarbij gaat het er niet om of hij gelijk heeft, maar of hij een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als hij dat zou hebben. De vraag of sprake is van procesbelang moet worden beantwoord naar de stand van zaken op het moment waarop het beroep wordt beoordeeld. [1] Ook kan procesbelang bestaan indien een betrokkene stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk als gevolg van deze bestuurlijke besluitvorming is geleden. [2]
3.2.
Uit het dossier blijkt en door partijen is ter zitting bevestigd dat het college op 8 april 2024 naar aanleiding van nieuwe aanvragen van eiser drie afzonderlijke omgevingsvergunningen heeft verleend. Deze omgevingsvergunningen zijn inmiddels onherroepelijk. Niet in geschil is dat eiser met deze drie omgevingsvergunningen in essentie hetzelfde bouwplan kan realiseren als waarop het bestreden besluit betrekking heeft. Met gebruikmaking van deze drie vergunningen is eiser gaan bouwen. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij geen uitvoering meer zal geven aan de hem eerder verleende omgevingsververgunning, mocht de herroeping daarvan in deze beroepsprocedure ongedaan gemaakt worden. In zoverre heeft eiser dus geen belang meer bij de uitkomst van deze beroepsprocedure.
3.3.
Eiser heeft echter wel procesbelang behouden wegens de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming. Die schade bestaat volgens eiser onder meer uit een stijging van de bouwkosten als gevolg van de vertraging die het project heeft opgelopen doordat het primaire besluit is herroepen. Het college betwist niet dat eiser mogelijk schade heeft geleden en ook de rechtbank acht dit niet onaannemelijk. Gelet hierop, heeft eiser belang bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.
Het primaire besluit is ten onrechte herroepen
4. De rechtbank overweegt dat uit het verweerschrift blijkt dat het college na het bestreden besluit tot het gewijzigde inzicht is gekomen dat de wijzigingen van de achtergevel van de woning, in het bestreden besluit ten onrechte zijn aangemerkt als een aan- of uitbouw. Bij nader inzien was volgens het college sprake van een uitbreiding van het hoofdgebouw, die niet in strijd was met het bestemmingsplan. Ter zitting heeft het college bevestigd dat het primaire besluit niet zou zijn herroepen als het college dit inzicht al in de bezwaarfase zou hebben gehad. Reeds daarom is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Wat eiser verder heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking meer.
Verzoek om schadevergoeding
5. De rechtbank stelt tot slot vast dat eiser in de aanvullende gronden van beroep heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding tot een totaalbedrag van
€ 55.206,-. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij hiermee niet heeft bedoeld om een verzoek om schadevergoeding in te dienen als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maar dat hij een uitspraak wil in deze beroepszaak om zich vervolgens tot de civiele rechter te wenden om de door hem gestelde schade op het college te verhalen. Gelet hierop zal de rechtbank geen oordeel geven over de door eiser gestelde schade.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd.
6.1.
De vernietiging van het bestreden besluit heeft tot gevolg dat de omgevingsvergunning die is verleend met het primaire besluit herleeft. Met het college is de rechtbank van oordeel dat dit een onwenselijke situatie is, aangezien die omgevingsvergunning in essentie hetzelfde bouwproject betreft als waarvoor op 8 april 2024 drie afzonderlijke omgevingsvergunningen zijn verleend die inmiddels onherroepelijk zijn. Nu eiser heeft bevestigd dat hij geen gebruik meer zal maken van de omgevingsvergunning die met het primaire besluit is verleend, bestaat er geen bezwaar om de herroeping van die vergunning in stand te laten. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. Dat betekent dat voor het bouwproject uitsluitend de drie omgevingsvergunningen van 8 april 2024 blijven gelden en niet de omgevingsvergunning van 24 maart 2023.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden. Eiser heeft ook recht op een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet die vergoeding betalen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de vergoeding van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
  • veroordeelt het college in de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 907,-;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2649.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4617.