Beroepen tegen de bestreden besluiten
4. Eisers stellen van Turkse nationaliteit te zijn. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum 1] 1966, eiseres 1 stelt geboren te zijn op [geboortedatum 2] 1978 en eiseres 2 is de dochter van eiser en eiseres en stelt geboren te zijn op [geboortedatum 3] 1999. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Zij zijn van Koerdische afkomst en zijn allen actief geweest voor de HDP. Zij hebben daardoor problemen ondervonden van de autoriteiten. Zo is eiser meerdere malen aangehouden, ondervraagd en mishandeld. Eiseres 1 is ook wel eens aangehouden. Verder is het familiehuis (waar eisers niet woonden) van eisers in brand gestoken. Ten slotte zijn de autoriteiten na hun vertrek langsgegaan bij hun huis.
Het besluit ten aanzien van eisers
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen vanwege activiteiten voor HDP/DEM;
Problemen vanwege Koerdische afkomst.
6. Het asielrelaas van eiseres 1 bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen vanwege betrokkenheid bij HDP;
Problemen vanwege Koerdische afkomst.
7. Het asielrelaas van eiseres 2 bevat volgens verweerder uitsluitend de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen vanwege betrokkenheid bij HDP.
8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers deels geloofwaardig is. De overige relevante elementen heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft verder aan eisers tegengeworpen dat zij zich onnodig hebben ontdaan van hun identiteits- en reisdocumenten zodat hun identiteit niet kan worden vastgesteld en dat eisers duidelijk tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Verweerder heeft de aanvragen daarom afgewezen als kennelijk ongegrond. In het geval van eiser en eiseres 1 is dit gebeurd op grond van artikel 30b, eerste lid, onder d en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en in het geval van eiseres 2 alleen op grond van artikel 30b, eerste lid, onder d, van de Vw.
Beoordeling door de rechtbank
Late indiening nieuwe beroepsgronden
9. De rechtbank stelt vast dat eisers op 12 augustus 2025, één dag voor de zitting, nog aanvullende beroepsgronden hebben ingediend. De rechtbank heeft dit met partijen besproken, omdat voorstelbaar is dat verweerder zich daardoor onvoldoende heeft kunnen voorbereiden. Anders dan de gemachtigde van eisers stelt, bevatten de aanvullende gronden ook nieuwe beroepsgronden. De gemachtigde van verweerder heeft echter te kennen gegeven dat zij voldoende heeft kunnen reageren op hetgeen door eisers naar voren is gebracht. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om gevolgen te verbinden aan de late indiening van de aanvullende gronden.
Identiteit, nationaliteit en herkomst
10. Eisers voeren aan dat ten onrechte aan hen is tegengeworpen dat hun identiteit niet geloofwaardig is. Hun documenten zijn in Duitsland ingenomen en die hebben zij niet terug weten te krijgen. Daarnaast zijn hun inloggegevens voor E-devlet verlopen en kunnen deze enkel fysiek in Turkije worden hernieuwd. Desondanks hebben eisers familie-uittreksels en andere indirecte bewijsstukken overgelegd. Dat zou voldoende moeten zijn.
11. Verweerder heeft ter zitting de tegenwerping laten vallen dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser en eiseres 1 ongeloofwaardig is. Volgens verweerder is hun identiteit, nationaliteit en herkomst met het overleggen van de paspoorten in beroep aannemelijk gemaakt. Verweerder houdt vast aan de tegenwerping voor zover het eiseres 2 betreft.
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiseres 2 heeft kunnen tegenwerpen dat niet is gebleken is dat zij zich heeft ingespannen om haar identiteit gedurende de asielprocedure te onderbouwen met documenten terwijl dit wel van haar verwacht mag worden. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres 2 zich onnodig heeft ontdaan van haar paspoort en identiteit. Zij heeft verklaard dat zij haar paspoort en identiteitskaart heeft gegeven aan de mensensmokkelaars, omdat zij dacht dat zij niks aan deze documenten zou hebben. Die verklaring duidt op het vrijwillig afgeven van haar documenten en dat kan haar worden tegengeworpen. Zij heeft bovendien niet op een andere wijze haar identiteit aannemelijk kunnen maken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
HDP-leden als risicogroep
13. Eisers voeren (in hun aanvullende gronden) aan dat HDP-leden ten tijde van hun binnenkomst in Nederland werden aangemerkt als risicogroep en met geringe indicaties aannemelijk konden maken dat zij een gegronde vrees voor vervolging door de Turkse autoriteiten hadden. Verweerder heeft daarom ten onrechte niet aan de hand van dit beleid getoetst.
14. Verweerder moet in beginsel uitgaan van het beleid zoals dat gold op het moment dat het bestreden besluit werd genomen. Verweerder moet namelijk beoordelen of de vreemdeling op het moment van toetsen – en dus niet op het moment van de asielaanvraag – een gegronde vrees voor vervolging heeft of bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van het verbod op refoulement. De enkele omstandigheid dat een vreemdeling door toepassing van nieuw beleid in een ongunstiger positie komt, is in dit geval onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. Eisers hebben verder geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven tot een ander oordeel.
15. In de aanvullende beroepsgronden van 12 augustus 2025 wordt verder verwezen naar een uitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2022:6411) waarin onder meer zou staan dat het lidmaatschap van de HDP ‘op zichzelf reeds een reëel risico op vervolging inhoudt’ en dat ‘zelfs geringe betrokkenheid bij de partij aanleiding kan zijn tot vervolging door de Turkse autoriteiten’. Dit is schuingedrukt en met aanhalingstekens weergegeven in de aanvullende beroepsgronden, dus als citaat, maar is niet in de uitspraak terug te vinden. Ook lijkt de strekking van het citaat niet in lijn met bestaande jurisprudentie op dit punt. Hiermee geconfronteerd tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eisers aangegeven dat het citaat waarschijnlijk uit een andere uitspraak komt en dat ze het anders niet weet. Ze heeft het gebruik van ChatGPT ontkend. Deze gang van zaken roept bij de rechtbank vragen op, ook omdat het citaat niet in een andere uitspraak kon worden teruggevonden. In elk geval geldt dat de uitspraak waarop eisers zich hebben beroepen, hen niet kan baten. 16. Eisers hebben verder in beroep enkel verouderde landeninformatie naar voren gebracht. Voor zover zij zich op het standpunt stellen dat uit deze informatie valt af te leiden dat HDP-leden nu nog altijd als risicogroep moeten worden aangemerkt, kan die beroepsgrond alleen al daarom niet slagen.
Problemen vanwege betrokkenheid bij de HDP
17. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte de problemen als gevolg van hun betrokkenheid bij de HDP ongeloofwaardig heeft geacht. Zo is eiser al sinds de jaren ’90 betrokken bij de HDP en heeft hij deelgenomen aan demonstraties, huis-aan-huiscampagnes en de organisatie van bijeenkomsten. Het feit dat eiser minder van de partij zelf afweet vanwege zijn analfabetisme doet niet af aan zijn betrokkenheid bij de partij. Eiseres 1 is ook al sinds 1996 actief bij de partij en heeft gedetailleerd verklaard over haar activiteiten. Bovendien heeft zij een aantal ondersteunende documenten overgelegd. Dat zij niet meer heeft kunnen overleggen is het gevolg van de brand in haar woning. Ook eiseres 2 had beschikking over documenten ter onderbouwing van haar lidmaatschap en activiteiten, maar deze zijn verloren gegaan tijdens politie-invallen. Na het vertrek heeft de politie bovendien een inval gedaan in het huis, waarmee de negatieve aandacht van de autoriteiten wordt bevestigd.
18. Verweerder heeft terecht aan eisers tegengeworpen dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij daadwerkelijk lid zijn (geweest) van de HDP. Verweerder mag in dat kader van eisers verwachten dat zij het lidmaatschap met documenten kunnen onderbouwen, vooral nu zij stellen lange tijd betrokken te zijn geweest bij de partij. Dit geldt vooral voor eiser en eiseres 1. Eiseres 1 stelt bijvoorbeeld sinds 1996 actief te zijn geweest voor de HDP en van haar mag worden verwacht dat zij meer kan overleggen dan een kopie van een handgeschreven lidmaatschapsaanvraag uit 2015 die niet op authenticiteit kan worden gecontroleerd en waaruit niet kan worden afgeleid of zij daadwerkelijk lid is geworden. Gelet op de lange periode dat eiser actief was voor HDP, heeft verweerder ook van eiser mogen verwachten dat hij zijn activiteiten kan aantonen met documenten. Eiseres 2 heeft ook geen documenten overlegd ter onderbouwing voor haar lidmaatschap, terwijl zij zelfs stelt te hebben gewerkt als stembusmedewerker. Verweerder heeft het bevreemdend kunnen vinden dat eisers geen enkel document hebben kunnen overleggen waaruit blijkt dat één van hen lid is geweest van de HDP. Dit heeft verweerder in het nadeel van eisers mogen wegen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. De stukken die eisers wel hebben overgelegd zeggen niets over het gestelde lidmaatschap van de HDP. Verweerder heeft verder vooral in het geval van eiser en eiseres 1, die decennialang stellen te zijn betrokken bij de HDP en zijn voorgangers, mogen verwachten dat zij op zijn minst gedetailleerd kunnen verklaren over de partij. Eiser heeft bovendien wisselend verklaard over het al dan niet daadwerkelijk lid zijn van de partij.Zeker nu eiser heeft verklaard dat hij een significante rol binnen de partij heeft gespeeld, valt niet in te zien waarom hij niet weet waar de naam van de partij voor staat en wie de partijprominenten zijn. Dat eiser analfabeet is, is geen afdoende verklaring voor dit gebrek aan basale kennis over de HDP. Verweerder stelt ook niet ten onrechte dat eiseres 2 met haar verklaringen onvoldoende kennis over de partij heeft laten blijken.
19. De rechtbank constateert verder dat eisers ook in beroep geen inhoudelijke gronden richten tegen de door verweerder verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling. Eisers stellen zich op het standpunt dat hun problemen in lijn zijn met de landeninformatie en dat hun verklaringen wel consistent zijn. Dat is echter geen daadwerkelijke betwisting of weerlegging van de door verweerder aan de afwijzing ten grondslag gelegde tegenstrijdigheden, ongerijmdheden en vaagheden. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eisers in de negatieve belangstelling staan van de autoriteiten vanwege hun (gestelde) activiteiten voor de HDP. Ook van de gestelde problemen hebben eisers geen enkel document overgelegd. Dit terwijl eiseres 1 stelt dat de politie tien keer een inval heeft gedaan in hun huis en dat zij foto’s heeft gemaakt van een huiszoeking in 2020.Eiseres 2 stelt in haar gehoor ook dat haar moeder de inval in juni 2023 heeft gefilmd.Verweerder heeft terecht aan eiseressen tegengeworpen dat zij geen beeldmaterieel hebben overgelegd. De verklaring van eiseres 2 dat zij haar mobiele telefoon heeft verkocht en dus niet beschikt over het beeldmateriaal, heeft verweerder geen afdoende verklaring hoeven vinden. Uit de verklaringen van eiseres 2 komt blijkt bovendien dat zij lange tijd probleemloos in Istanbul heeft kunnen verblijven en alleen enkele keren door de politie is gecontroleerd.
20. In het geval van eiseres 1 komt uit haar verklaringen naar voren dat zij maar een bescheiden rol stelt te hebben vervuld binnen de HDP. Het ligt in dat geval ook op haar weg om aannemelijk te maken dat zij ondanks die bescheiden rol in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat. Verweerder heeft verder bovendien kunnen concluderen dat het enkele gegeven dat eisers betrokken zouden zijn bij activiteiten van de HDP niet maakt dat zij alleen daarom al een reëel risico lopen op vervolging.
21. Uit het voorgaande volgt dat verweerder op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd geconcludeerd heeft dat eisers’ gestelde problemen vanwege hun lidmaatschap van en activiteiten voor de HDP ongeloofwaardig zijn.
Problemen vanwege Koerdische afkomst
22. Eisers stellen zich verder op het standpunt dat verweerder de problemen als gevolg van hun Koerdische afkomst ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zo duidt de wijze waarop er brand is gesticht in hun (familie)huis in het oosten van Turkije op een gerichte (systematische) aanval op Koerden. Bovendien is sprake geweest van grafschennis.
23. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de brandstichting op hun persoon was gericht en dat daarmee niet is gebleken van een causaal verband tussen de brandstichting en hun Koerdische afkomst. Verder hebben eisers weliswaar foto’s van een afgebrand/vernield huis overgelegd, maar hieruit valt niet af te leiden dat dit hun huis is. De foto’s bevatten ook geen datum of andere gegevens waaruit meer kan worden afgeleid. Verweerder heeft ook aan eisers kunnen tegenwerpen dat zij tegenstrijdig hebben verklaard over het al dan niet doen van aangifte van de brandstichting. Tijdens het nader gehoor van eiseres 1 heeft zij aangeven dat zij hebben geprobeerd aangifte te doen en dat bij de dorpsoudste hebben aangegeven, die aan hen zou hebben meegedeeld dat dat niet mocht van de gouverneur.Eiseres 2 verklaart dan weer dat eiser en eiseres 1 naar de militairen zijn gegaan en daar aangifte hebben gedaan of dat in elk geval hebben geprobeerd.Eiser zelf verklaart dat zij nooit aangifte hebben gedaan en dat zij dat ook nooit hebben geprobeerd.Deze verklaringen zijn tegenstrijdig met elkaar en eisers hebben deze tegenstrijdigheid niet kunnen ophelderen. Dat eiser niet op de hoogte zou zijn van de aangifte van zijn echtgenote omdat hij analfabeet is, is geen afdoende verklaring. Dat eiser analfabeet is, betekent namelijk niet dat hij over een dergelijke belangrijke gebeurtenis niet zou kunnen communiceren met zijn echtgenote. De enkele stelling dat vaststaat dat de Turkse autoriteiten dit soort branden stichten bij huizen van Koerden is onvoldoende voor een ander oordeel. Los van het feit dat eisers geen landeninformatie hebben overgelegd waaruit dit blijkt, maakt het enkele gegeven dat iets in algemene zin kan voorkomen nog niet aannemelijk dat dit in het geval van eisers is gebeurd en dat dit is gebeurd vanwege hun Koerdische afkomst. Deze beroepsgrond slaagt niet.
24. Eisers betwisten de kennelijk ongegrondverklaring omdat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het lidmaatschap van eisers van een erkende risicogroep, te weten de HDP, en met hun concrete en individuele vervolgingservaringen. Hierdoor is de ernstige vervolgingsdreiging niet (voldoende) erkend. Daarnaast is het opgelegde inreisverbod disproportioneel en onevenwichtig, aangezien het hun recht op gezinsleven aantast en geen recht doet aan de gegronde vervolgingsvrees en de nauwe familieband met hun in Nederland verblijvende zoon. Ten slotte is het terugkeerbesluit onrechtmatig omdat het niet voldoet aan het non-refoulementbeginsel; terugkeer naar Turkije brengt voor eisers een reëel risico op ernstige schade mee, terwijl de relevante landeninformatie en persoonlijke vervolgingservaringen onvoldoende zijn betrokken bij de besluitvorming.
25. De rechtbank stelt voorop dat het merendeel van wat eisers bij deze beroepsgrond aanvoeren, hiervoor is besproken door de rechtbank. Daar zal de rechtbank dus verder niet op ingaan.
26. De rechtbank is verder van oordeel dat de aanvragen van eisers terecht kennelijk ongegrond zijn verklaard door verweerder. In het geval van eiser en eiseres 1 zijn de aanvragen kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid en onder d en e, van de Vw. Verweerder heeft weliswaar in beroep de d-grond (dat eisers zich te kwader trouw hebben ontdaan van hun reispapieren) laten vallen, maar de e-grond is terecht aan eisers tegengeworpen. Dit volgt uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen. In het geval van eiseres 2 heeft verweerder, gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, artikel 30b, eerste lid en onder d, van de Vw aan de afwijzing als kennelijk ongegrond ten grondslag kunnen leggen. Nu verweerder de aanvragen heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond, heeft hij niet ten onrechte aan eisers een terugkeerbesluit en inreisverbod van twee jaar opgelegd. Het feit dat eiser en eiseres 1 een zoon zouden hebben in Nederland is verder geen reden voor verweerder om af te zien van het opleggen van het inreisverbod.