ECLI:NL:RBDHA:2025:22632

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
C/09/692154 / JE RK 25-1666
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onderzoek naar de ondertoezichtstelling van minderjarigen in een complexe gezinsdynamiek

Op 31 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een beschikking uitgesproken betreffende de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. Deze beschikking is het resultaat van een verzoekschrift van de Raad voor de Kinderbescherming, ingediend op 26 september 2025, waarin werd verzocht om de ondertoezichtstelling van beide kinderen voor een periode van één jaar. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van de kinderen, die opgroeien in een situatie waarin de ouders niet in staat zijn om effectief met elkaar te communiceren en afspraken te maken over de opvoeding.

De kinderrechter heeft de feiten en omstandigheden van de zaak zorgvuldig gewogen. De ouders, die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, hebben een conflictueuze relatie, wat leidt tot onveilige situaties voor de kinderen. De vader en de moeder hebben beiden ingestemd met de ondertoezichtstelling, hoewel de moeder zich niet verzet tegen de toewijzing van de ondertoezichtstelling voor [de minderjarige 1]. De kinderrechter heeft op basis van de ingediende rapporten en de verklaringen van de kinderen en de ouders geconcludeerd dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de ontwikkeling van de kinderen te waarborgen en hen te ondersteunen in hun emotionele en sociale ontwikkeling.

De kinderrechter heeft de beschikking mondeling uitgesproken en deze is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De ondertoezichtstelling is bedoeld om de ouders te begeleiden in hun verantwoordelijkheden en om de kinderen de nodige ondersteuning te bieden in hun ontwikkeling. De beschikking is vastgesteld op 14 november 2025, en hoger beroep kan worden ingesteld binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/692154 / JE RK 25-1666
Datum uitspraak: 31 oktober 2025

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 26 september 2025 ingekomen verzoekschrift van:
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden(hierna te noemen: de Raad),
betreffende:
- [de minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] .
- [de minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2011 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,
op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M.G. Hulsman in Delft,
en

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,
op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.M. van Essen in Woerden.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het rapport en advies van de Raad van 25 september 2025, kenmerk [kenmerk] ;
  • het verzoekschrift van de Raad.
Op 31 oktober 2025 heeft de kinderrechter de zaak op de zitting met gesloten deuren behandeld,
gecombineerdmet het verzoek van de vader voor wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 2] en vervangende toestemming voor inschrijving op het adres van de vader, op school en bij een huisarts (zaak- en rekestnummer C/09/677392 / FA RK 24-9007). Op dit verzoek wordt bij afzonderlijke beschikking van 14 november 2025 beslist.
Op de zitting zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat,
[naam 1] namens de Raad en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben hun mening over het verzoek gegeven in een gesprek met de kinderrechter.

Feiten

  • De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.
  • De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
  • De ouders hebben nog een inmiddels meerderjarige dochter, [de jong-meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 3] 2007 in [geboorteplaats] , [geboorteland] .
  • [de minderjarige 1] en [de jong-meerderjarige] verblijven feitelijk bij de moeder en [de minderjarige 2] verblijft feitelijk bij de vader.
  • Bij kort geding vonnis van 20 december 2024 van deze rechtbank is:
  • de vordering van de moeder om de vader te veroordelen [de minderjarige 2] binnen 48 uur na het vonnis aan haar over te dragen onder verbeurte van een dwangsom afgewezen;
  • de Raad verzocht om een onderzoek te verrichten over de vraag of er sprake is van een onveilige situatie voor [de minderjarige 2] en zo ja, wat voor hem de beste plek is om te wonen;
  • bepaald dat [de minderjarige 2]
  • de vader toestemming verleend om [de minderjarige 2]

Verzoek

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor de periode van één jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De Raad heeft het verzoek – kort en zakelijk weergegeven – als volgt onderbouwd. Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] (en [de jong-meerderjarige] ). Zij groeien op in twee verschillende opvoedsituaties, waar tot op heden weinig zicht op is gekomen. Alle drie de kinderen worden geconfronteerd met ouders die niet met elkaar kunnen communiceren en hierdoor lastig of niet tot afspraken kunnen komen. Daarbij geven [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige 1] aan geen contact te willen met de vader en geeft [de minderjarige 2] aan open te staan voor contactherstel met de moeder, maar alleen onder begeleiding van een professional. Volgens [de minderjarige 2] zijn er ingrijpende en nare gebeurtenissen gebeurd in de opvoedsituatie bij moeder. [de minderjarige 2] heeft het bij de moeder als niet fijn en onveilig ervaren en heeft aan de Raad voor de Kinderbescherming gedetailleerd verteld over mishandelingen. Binnen de ondertoezichtstelling kan de omgang tussen [de minderjarige 2] en de moeder begeleid opgestart worden en, als dat in het belang van [de minderjarige 2] is, uitgebreid worden. Verder geven [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige 1] aan dat er zorgen zijn over de opvoedingssituatie bij de vader en zijn manier van bejegening van hen. De vader geeft daarentegen aan nooit problemen met [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige 1] te hebben ervaren. Daarnaast
maakt de Raad zich zorgen om de eigen problematiek van ouders, waaronder de stress van de vader nu hij de volledige zorg voor [de minderjarige 2] draagt en de trauma gerelateerde klachten van de moeder. De ouders zijn op dit moment voldoende bereid, maar onvoldoende in staat om onder eigen verantwoordelijkheid die bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren, omdat de ouders niet met elkaar communiceren en elkaar over en weer beschuldigen. De ouders hebben moeite om naar hun eigen aandeel te kijken. Er is veel wantrouwen tussen de ouders waardoor patronen niet doorbroken worden. Het lukt de ouders onvoldoende om met elkaar op één lijn te komen, ook als dit gaat om de kinderen. Een jeugdbeschermer is dan ook nodig om de belangen van de kinderen ten alle tijden voorop te stellen en ouders hierin te begeleiden. De verwachting is dat de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn weer zelf kunnen dragen.
De vader heeft ingestemd met het verzochte. De moeder heeft ingestemd met de verzochte ondertoezichtstelling voor [de minderjarige 2] . Met betrekking tot de verzochte ondertoezichtstelling voor [de minderjarige 1] heeft zij zich niet tegen toewijzing daarvan verzet.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en op de zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn. Aangezien de gronden voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] (deels) verschillen, zal de kinderrechter haar motivatie per kind apart toelichten.
[de minderjarige 2]
De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige 2] bestaan uit het volgende. In oktober 2024 kwam [de minderjarige 2] met een blauw oog bij de vader aan. Hij gaf daarover aan dat dit kwam door geweld door de moeder en dat dit vaker is voorgekomen. [de minderjarige 2] is vervolgens niet meer teruggegaan naar de moeder en verblijft sindsdien bij de vader. Zowel het door [de minderjarige 2] genoemde door de moeder gepleegde geweld (ook als dit niet of minder heeft plaatsgevonden) en de verhuizing naar de vader zijn voor hem hele ingrijpende gebeurtenissen geweest. Door de verhuizing heeft [de minderjarige 2] bovendien langere tijd het contact met zijn zussen moeten missen, waar hij veel last van heeft gehad. Sinds de verhuizing is er ook nauwelijks contact geweest tussen [de minderjarige 2] en de moeder. Dat is pas recent gestart toen [de minderjarige 2] weer in contact kwam met zijn zussen. De kinderrechter vindt het ook zorgelijk dat er in ieder geval sinds 2013 geen contact tussen de ouders is, waardoor zij ook geen afspraken kunnen maken over het contact(herstel). De kinderrechter is van oordeel dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is om te onderzoeken welke hulpverlening [de minderjarige 2] nodig heeft om de gebeurtenissen te kunnen verwerken en om begeleiding te bieden in het contactherstel tussen [de minderjarige 2] en de moeder. Het is duidelijk geworden dat [de minderjarige 2] met veel vragen zit over wat er is gebeurd en waarom het allemaal zo is gelopen. Het is van belang dat [de minderjarige 2] de kans krijgt om zijn vragen aan de moeder te stellen en de kinderrechter benadrukt dat het heel belangrijk is dat de moeder daar goede hulp bij krijgt.
[de minderjarige 1]
De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige 1] bestaan uit het volgende. Hoewel [de minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij de uitlatingen van [de minderjarige 2] over het gedrag van de moeder niet herkent, hebben die uitlatingen en de daarop volgende verhuizing van [de minderjarige 2] wel een grote impact op haar leven gemaakt. Als het geweld bovendien wel plaats heeft gevonden, was zij daarvan getuige, wat een traumatische ervaring moet zijn geweest. [de minderjarige 1] heeft langere tijd het contact met haar broertje moeten missen. Ook in haar geval maakt de kinderrechter zich zorgen over het gegeven dat er in ieder geval sinds 2013 geen contact tussen de ouders is. Daarbij vindt de kinderrechter het ook zorgelijk dat [de minderjarige 1] geen contact met de vader wil en daarom moeite heeft om de vader te zien wanneer hij [de minderjarige 2] haalt of brengt na een contactmoment met zijn zussen. Het is in het belang van [de minderjarige 1] en haar ontwikkeling dat zij op een normale manier met beide ouders contact kan hebben. De kinderrechter acht het belangrijk dat goed wordt gekeken naar wat [de minderjarige 1] nodig heeft en of en op welke manier contactherstel met de vader mogelijk zou zijn.
Voor zowel [de minderjarige 2] als [de minderjarige 1] is de kinderrechter van oordeel dat een ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar nodig is om de bedreiging in hun ontwikkeling weg te nemen. De kinderrechter verwacht dat de ondertoezichtstelling de ouders helpt om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] binnen een aanvaardbare termijn weer zelf te kunnen dragen.
Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:
stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van 31 oktober 2025 tot 31 oktober 2026 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025 door mr. C. van Hees, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.M.A. van Oosten als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 14 november 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.