ECLI:NL:RBDHA:2025:22656

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
NL24.15287
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag en geschil over geboortedatum van Eritrese vreemdeling

In deze zaak heeft eiser, een Eritrese vreemdeling, op 3 april 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 18 maart 2024 ingewilligd, maar eiser is het niet eens met de geregistreerde geboortedatum die door de minister is vastgesteld. Eiser stelt dat hij geboren is op [geboortedatum 1] 2005, terwijl de minister de geboortedatum heeft vastgesteld op [geboortedatum 2] 1998. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing, waarbij hij aanvoert dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn verklaring en de documenten die hij heeft overgelegd ter ondersteuning van zijn geboortedatum.

De rechtbank heeft de zaak op 30 oktober 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van de minister aanwezig was, maar eiser en zijn gemachtigde afwezig waren. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de geboortedatum van eiser op [geboortedatum 2] 1998 mocht vaststellen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de door eiser overgelegde doopakte vals is bevonden en dat eiser geen plausibele verklaring heeft gegeven voor de afwijkende geboortedatum. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de minister heeft voldaan aan zijn samenwerkingsplicht door contact op te nemen met de Italiaanse autoriteiten en de doopakte te laten onderzoeken.

De rechtbank heeft het verzoek van eiser om schadevergoeding afgewezen, omdat eiser eerst een verzoek om schadevergoeding bij de minister moet indienen voordat hij dit bij de rechtbank kan doen. Ook het verzoek om verlenging van de driemaandentermijn voor gezinshereniging is afgewezen, omdat dit buiten de omvang van het geding valt. Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard, wat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.15287

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Imami).

Inleiding

1. Eiser heeft op 3 april 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 18 maart 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure ingewilligd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld in verband met de geregistreerde geboortedatum.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde waren met bericht vooraf afwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Eritrese nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2005. Verweerder heeft zijn asielaanvraag ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). De vergunning is verleend met ingang van 3 april 2023 en is geldig tot 3 april 2028.
2.1.
Eiser is het niet eens met de door verweerder vastgestelde geboortedatum van [geboortedatum 2] 1998. Hij stelt dat hij minderjarig is en heeft daarom beroep ingesteld tegen de aan hem verleende asielvergunning.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte de in Italië geregistreerde geboortedatum van [geboortedatum 2] 1998 heeft overgenomen. Eiser heeft zijn doopakte overgelegd en daarbij een verklaring gegeven voor het verschil in data, namelijk dat het jaar 1998 in de Eritrese jaartelling overeenkomt met 2005 in de Europese jaartelling. Verweerder is onvoldoende ingegaan op die verklaring. Ook is het leeftijdsonderzoek dat verweerder heeft gedaan niet inzichtelijk, omdat het rapport niet is meegezonden. Verweerder heeft daarnaast niet voldaan aan zijn samenwerkingsplicht door er onvoldoende rekening mee te houden dat het voor eiser bijna onmogelijk is om meer documenten te verkrijgen waarmee hij zijn geboortedatum kan onderbouwen. Eiser verzoekt om verlenging van de driemaandentermijn om gezinshereniging aan te vragen. Tot slot verzoekt eiser een schadevergoeding voor zowel materiële als immateriële schade.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
4.1.
De hoogste bestuursrechter heeft op 9 oktober 2024 geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit het Unierecht niet van toepassing is op de leeftijdsbeoordeling van vreemdelingen. [1] Wel mag verweerder een afwijkende leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat betrekken in de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling en daaraan gewicht toekennen. Als uitgangspunt geldt dan de presumptie van minderjarigheid en verweerder moet motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal de minister moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de geboortedatum van eiser mocht vaststellen op [geboortedatum 2] 1998 en daarbij deugdelijk en conform de uitspraak van de Afdeling heeft gemotiveerd waarom hij hierbij veel gewicht toekent aan de leeftijdsregistratie in Italië. Allereerst is de door eiser overgelegde doopakte na onderzoek door Bureau Documenten vals bevonden. Verweerder hoefde daarom geen waarde te hechten aan de inhoud ervan, temeer omdat eiser geen contra-expertise heeft overgelegd waaruit de authenticiteit van de doopakte blijkt.
4.3.
Eiser heeft ook geen plausibele verklaring gegeven voor de afwijkende leeftijdsregistratie in Italië. Verweerder wijst er terecht op dat eiser in het schouwgehoor AMV [2] desgevraagd heeft verklaard dat de Italiaanse autoriteiten niet hebben gevraagd
naar zijn leeftijd maar die zelf hebben opgeschreven. In het nader gehoor [3] heeft eiser echter verklaard dat hij niet weet of hij zijn geboortedatum heeft opgegeven aan de Italiaanse autoriteiten. Naast het feit dat verweerder deze verklaringen over de leeftijdsregistratie ongerijmd heeft mogen vinden, heeft verweerder ook niet aannemelijk mogen vinden dat de Italiaanse autoriteiten zomaar een willekeurige geboortedatum hebben genoteerd. Dat de registraties uiteenlopen omdat het jaar 1998 in de Eritrese jaartelling overeenkomt met 2005 in de Europese jaartelling, heeft verweerder ook geen plausibele verklaring mogen vinden. Verweerder heeft er in dit kader terecht op gewezen dat de gestelde Europese geboortedatum van 1 oktober 2005 in de Eritrese jaartelling volgens de door eiser overgelegde doopakte overeenkomt met 21 januari 1998 en dus niet met het in Italië opgegeven [geboortedatum 2] 1998. Daarbij komt dat verweerder eiser mocht tegenwerpen dat hij geen indicatieve documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van de door hem gestelde geboortedatum. De verklaringen die hij eiser over een tweetal documenten heeft gegeven mocht verweerder ongerijmd vinden. Zo heeft eiser tijdens het schouwgehoor [4] verklaard dat hij geen doopakte heeft, terwijl hij die later wel heeft overgelegd. Ook heeft eiser in het aanmeldgehoor [5] verklaard dat hij zijn schoolpas bij zich had en onderweg is verloren, terwijl hij in het schouwgehoor AMV [6] verklaart dat hij zijn studentenkaart onderweg is verloren en in het nader gehoor [7] verklaart dat hij zijn schoolpas niet heeft meegenomen en dat die als hij goed bewaard is nog bij zijn ouders is.
4.4.
De rechtbank oordeelt verder dat verweerder heeft voldaan aan zijn samenwerkingsplicht door leeftijdsschouwen uit te voeren, contact op te nemen met de Italiaanse autoriteiten om te achterhalen welke geboortedatum daar is geregistreerd en hoe deze registratie tot stand is gekomen en door de doopakte van eiser op echtheid te laten onderzoeken. De grond van eiser dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn samenwerkingsplicht, slaagt niet. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat het leeftijdsonderzoek voor eiser niet inzichtelijk was, omdat de schouwen zijn opgenomen in de gehoorverslagen van de gehoren bij de AVIM en bij de IND. Anders dan eiser stelt, zijn deze rapporten wel opgenomen in het dossier.
5. Over het verzoek om schadevergoeding overweegt de rechtbank het volgende. Uit artikel 8:90, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt, kort gezegd, dat eiser eerst bij verweerder een verzoek om een schadevergoeding moet indienen, voordat hij een verzoek om schadevergoeding kan indienen bij de bestuursrechter. Uit navraag bij verweerder op zitting is gebleken dat een dergelijk verzoek niet bij verweerder is ingediend. Evenmin is op zitting of uit het dossier gebleken dat dit redelijkerwijs niet van eiser gevergd kan worden.
6. Op het verzoek om verlenging van de driemaandentermijn in het kader van gezinshereniging – wat daar ook van zij – zal de rechtbank niet ingaan. Deze beroepsgrond valt buiten de omvang van dit geding.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Pagina 6.
3.Pagina 4 en 5.
4.Pagina 4.
5.Pagina 4.
6.Pagina 4
7.Pagina 15.