Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft zich op 24 december 2020 bij verweerder gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2013, 2014 en 2017 (het verzoek). Na overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is het verzoek uitgebreid tot de jaren 2013 tot en met 2015, 2017 en 2018.
3. Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek advies gevraagd aan de Commissie van Wijzen (CvW). De CvW heeft in haar advies van 10 oktober 2022
geconcludeerd dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing
zijn voor de jaren 2013 tot en met 2015, 2017 en 2018. Onder verwijzing naar dat advies, is het verzoek om compensatie in de primaire besluiten afgewezen.
4. In het bestreden besluit is verweerder, onder verwijzing naar het advies van de
bezwaarschriftenadviescommissie van 3 september 2024, bij de primaire besluiten gebleven.
Wat vindt eiseres in beroep?
5. Eiseres betwist dat zij het verzoek heeft beperkt tot de jaren 2013 tot en met 2015, 2017 en 2018. Volgens eiseres heeft een dergelijk verzoek betrekking op alle jaren waarin de aanvrager kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Eiseres is het daarnaast niet eens met de weigering van verweerder om voor het jaar 2014 compensatie toe te kennen. Volgens eiseres is namelijk niet gebleken dat de neerwaartse correctie van 22 januari 2014 het gevolg is van een door haar ingediende wijziging en de neerwaartse correctie van 29 april 2016 is het gevolg van vooringenomen handelen door verweerder. Ook stelt eiseres dat zij voor het jaar 2017 in aanmerking dient te komen voor een tegemoetkoming vanwege opzet of grove schuld (O/GS-tegemoetkoming).
Wat vindt verweerder in beroep?
6. Verweerder stelt dat eiseres geen recht heeft op compensatie voor het jaar 2014, omdat niet is gebleken dat verweerder vooringenomen of bijzonder hard heeft gehandeld.
Wat is het toetsingskader?
7. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie (Wht) volgt dat verweerder compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór
23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening.
8. Als vooringenomenheid wordt vastgesteld, dan is de compensatieregeling van toepassing. Uit artikel 2.1, tweede lid, van de Wht volgt echter dat compensatie achterwege blijft indien sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan eiseres toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, bijvoorbeeld als het kind waarvoor toeslag is aangevraagd niet blijkt te bestaan, ouder is dan de geldende leeftijdsgrens, of in het geheel geen opvang heeft genoten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Niet beoordeelde toeslagjaren
9. Eiseres heeft in beroep stukken overgelegd waaruit blijkt dat het in overweging 2 bedoelde gesprek met de persoonlijk zaakbehandelaar is vastgelegd in een gespreksverslag van 4 augustus 2022. In dit gespreksverslag staat dat telefonisch met eiseres is afgesproken dat de jaren 2013, 2014, 2015, 2017 en 2018 worden herbeoordeeld. Dit verslag is ter controle voorgelegd aan eiseres en de voormalige gemachtigde van eiseres heeft daarop
gereageerd met een emailbericht van 24 augustus 2022. De rechtbank leest in die reactie niet dat eiseres haar bezwaren over het beperken van de omvang van het verzoek heeft geuit. Uit het beoordelingskaderdat op basis van het gesprek van eiseres met de persoonlijk zaakbehandelaar is opgesteld, blijkt dat, conform het verzoek van eiseres, alleen de jaren 2013 tot en met 2015 en de jaren 2017 en 2018 zijn herbeoordeeld. Het jaar 2012 maakt daarom geen onderdeel uit van het bestreden besluit en valt buiten de omvang van dit geschil. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
17 december 2024, maakt het voorgaande niet anders.
10. De rechtbank leidt verder uit het dossier af dat de (toeslag)partner van eiseres de aanvrager is geweest van de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2006 tot en met 2011 en dat in het geval van eiseres alleen het jaar 2012 niet is meegenomen in de herbeoordeling.
Uit de producties 17, 19 en 20 blijkt dat verweerder het jaar 2012 heeft bekeken en geen aanknopingspunten heeft gevonden die aanleiding geven voor het verrichten van een herbeoordeling. De kinderopvangtoeslag is voor dat jaar namelijk conform de aanvraag van eiseres toegekend en de geringe verlaging bij de definitieve toekenning is het gevolg van een hoger toetsingsinkomen dan vooraf ingeschat.
Het jaar 2014 en de neerwaartse correctie van 22 januari 2014
11. Verweerder heeft toegelicht dat deze correctie het gevolg is van een wijziging in het aantal opvanguren en dat deze wijziging afkomstig is van eiseres.Eiseres betwist dat zij de wijziging heeft doorgegeven en voert in dit verband aan dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.
12. De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alle op de zaak betrekking hebbende stukken dient te overleggen. Onder de op de zaak betrekking hebbende stukken wordt verstaan de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het bestreden besluit. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. Eiseres heeft niet concreet aannemelijk gemaakt dat verweerder met betrekking tot deze neerwaartse correctie nog over informatie beschikt die van belang is voor de beoordeling van het verzoek om compensatie. Van schending van artikel 8:42 van de Awb is dan ook niet gebleken.
13. De rechtbank leidt uit het dossier af dat de correctie van 22 januari 2014 het gevolg is van een op 27 november 2013 digitaal ingediende wijziging met betrekking tot het aantal opvanguren. Er zijn in het dossier geen aanwijzingen voor het oordeel dat deze wijziging niet van eiseres afkomstig zou zijn. Verweerder heeft de wijziging vervolgens verwerkt in de beschikking van 22 januari 2014. Het verwerken van deze wijziging is op zichzelf geen vooringenomen handeling. De hier betreffende reguliere wijziging in de hoogte van het recht op kinderopvangtoeslag vloeit dan ook niet voort uit vooringenomenheid aan de zijde van verweerder.
Het jaar 2014 en de neerwaartse correctie van 29 april 2016
14. Vaststaat dat verweerder bij het nemen van deze beschikking is uitgegaan van door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) verkregen informatie over de gewerkte uren van eiseres in het jaar 2014.Verweerder heeft zich in de primaire besluiten op het standpunt gesteld dat deze neerwaartse correctie in beginsel vooringenomen dan wel bijzonder hard is geweest, omdat er geen uitvraag is gedaan bij eiseres over de verkregen informatie. Aan eiseres is echter geen compensatie toegekend, omdat verweerder vindt dat hij destijds juist heeft gehandeld nu de informatie van het UWV juist is gebleken. Verweerder is tot dat oordeel gekomen op grond van een beoordeling achteraf. Daarnaast is op 23 december 2013 een melding gedaan dat eiseres geen doelgroeper meer was. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat ten aanzien van deze neerwaartse correctie geen sprake is van vooringenomenheid dan wel bijzondere hardheid. Verweerder heeft dit standpunt in beroep gehandhaafd.
15. De rechtbank constateert dat verweerder een beoordeling achteraf van de rechtmatigheid van een vooringenomen handeling heeft toegepast. De rechtbank overweegt dat deze wijze van beoordeling achteraf van een handeling waarvan reeds is vastgesteld dat deze vooringenomen is geweest, niet maakt dat verweerder niet meer kan worden verweten dat hij eiseres destijds geen gelegenheid heeft geboden om haar kant van het verhaal te vertellen en te reageren op de verkregen informatie van het UWV. Een vooringenomen handeling kan namelijk niet ongedaan gemaakt worden met de kennis achteraf. Daarmee miskent verweerder dat hij die kennis niet had ten tijde van het vooringenomen handelen. De vraag of sprake is geweest van vooringenomen handelen moet daarom vanuit de situatie ten tijde van de neerwaartse correctie van 29 april 2016 worden beoordeeld. De door verweerder voorgestane wijze van beoordelen zou anders kunnen leiden tot een situatie waarbij een vooringenomen handeling verschoonbaar wordt geacht en dat verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met de ratio achter de herstelregeling. Daar komt bij dat de stelling van verweerder dat achteraf is gebleken dat juist is gehandeld bij de neerwaartse correctie van 29 april 2016, geen hout snijdt. Op 29 mei 2020is de kinderopvangtoeslag immers weer verhoogd met een bedrag van € 805. De kinderopvangtoeslag is daardoor pas jaren later op het juiste bedrag gesteld. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er vanuit dat in de situatie van eiseres met betrekking tot de neerwaartse correctie van 29 april 2016 wel degelijk sprake is geweest van vooringenomenheid aan de zijde van verweerder.
16. Als vooringenomenheid wordt vastgesteld, dan is de compensatieregeling van toepassing, tenzij sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan eiseres toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als blijkt dat eiseres evident geen recht had op kinderopvangtoeslag.
17. Verweerder heeft in de primaire besluiten verwezen naar een melding van
23 december 2013 waaruit zou volgen dat eiseres geen doelgroeper meer was. Nog daargelaten dat verweerder niet heeft toegelicht van wie deze melding afkomstig is en hoe deze melding bij verweerder terecht is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier blijkt dat eiseres in het jaar 2014 wel degelijk doelgroeper was. Dat blijkt allereerst al uit de in overweging 14 bedoelde informatie van het UWV die tot vooringenomenheid aan de zijde van verweerder heeft geleid. Daarnaast heeft eiseres in beroep stukkenovergelegd waaruit blijkt dat zij werkzaam is geweest in het jaar 2014 en ook een studie volgde.
18. Verweerder heeft ter zitting nog gesteld dat eiseres voor het jaar 2014 geen schade heeft geleden. In de memorie van toelichting bij de Whtis echter vermeld dat zowel materiëleals immateriële schade in aanmerking kunnen komen voor compensatie. Op voorhand valt niet uit te sluiten dat eiseres zowel materiële als immateriële schade heeft geleden door de gang van zaken met betrekking tot het jaar 2014.
19. Het voorgaande vormt dan ook voldoende grondslag voor toewijzing van de verzochte compensatie voor het jaar 2014. Het beroep is in zoverre gegrond en verweerder dient een nieuw besluit te nemen.
20. Uit het dossierblijkt dat eiseres geen opzet of grove schuld is verweten. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan die vaststelling te twijfelen. Evenmin is gebleken dat eiseres een betalingsregeling is geweigerd, zodat er ook geen afwijzing van een betalingsregeling kan hebben plaatsgevonden op grond van een onterechte opzet of grove schuld kwalificatie. Dit betekent dat eiseres geen recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming.
Eiseres heeft in dit verband nog gevraagd om het invorderingsdossier om te beoordelen of er terecht geen opzet of grove schuld is gesteld. De rechtbank kan echter niet oordelen over een vordering om een dossier over te leggen, omdat dit geen besluit of daarmee gelijk te stellen handeling is in de zin van de Awb.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
21. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Naar vaste rechtspraak geldt het uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500 per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.
22. Verweerder heeft de bezwaarschriften op 2 januari 2023 ontvangen en daarop beslist met het bestreden besluit van 10 oktober 2024. Tot de datum van deze uitspraak zijn 35 maanden verstreken vanaf de eerste bezwaarschriften van 2 januari 2023. Het voorgaande leidt in beginsel tot een overschrijding van de redelijke termijn met 11 maanden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen. Tot de bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van de bedoelde termijn, worden onder meer gerekend de invloed van de belanghebbende op de duur van het proces, bijvoorbeeld door het doen van herhaalde verzoeken om verlening van gestelde termijnen of het verzoeken om uitstel voor een geplande zittingsdatum. Een bijzondere omstandigheid doet zich niet voor indien de rechter op verzoek van een partij de zitting voor de eerste keer uitstelt.
23. Eiseres is door de rechtbank voor het eerst uitgenodigd voor een zitting op
30 januari 2025. Door de gemachtigde van eiseres is uitstel voor de zitting gevraagd in verband met verhindering van de gemachtigde, welk verzoek door de rechtbank is gehonoreerd. Vervolgens is eiseres uitgenodigd voor een zitting op 26 juni 2025. De gemachtigde heeft vanwege zijn verhindering op die dag een verzoek ingediend voor uitstel van de zitting, welk verzoek door de rechtbank is gehonoreerd. De rechtbank heeft eiseres vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 16 juli 2025. De gemachtigde van eiseres heeft wederom vanwege verhindering een uitstelverzoek ingediend, welk verzoek door de rechtbank is gehonoreerd. Eiseres is daarna uitgenodigd voor een zitting op
19 september 2025, maar ook voor die zitting heeft de gemachtigde van eiseres een uitstelverzoek ingediend, welk verzoek door de rechtbank is toegewezen. Op de uitnodiging voor de zitting van 14 oktober 2025 zijn door de rechtbank geen uitstelverzoeken van partijen ontvangen.
24. In het onderhavige geval heeft de gemachtigde van eiseres meerdere keren een uitstelverzoek ingediend, waardoor de rechtbank niet eerder uitspraak kon doen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de redelijke termijn te verlengen met de periode die is gelegen tussen de tweede geplande zitting en de datum waarop de zitting uiteindelijk heeft plaatsgevonden (3 maanden en 18 dagen). De redelijke termijn is dan met afgerond 7 maanden overschreden.
25. In verband met de overschrijding van de redelijke termijn heeft eiseres recht op een vergoeding van € 1.000. De overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan verweerder. De rechtbank zal verweerder daarom veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 voor de overschrijding van de redelijke termijn.