ECLI:NL:RBDHA:2025:22693

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
NL23.23245
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening in het kader van verblijfsvergunning regulier voor kennismigrant

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag wordt het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld van een Turkse verzoeker die een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft aangevraagd met als doel arbeid als kennismigrant. De aanvraag is door de minister van Asiel en Migratie afgewezen, waarna de verzoeker bezwaar heeft gemaakt en om een voorlopige voorziening heeft gevraagd. De voorzieningenrechter oordeelt dat de verzoeker spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat niet zonder meer duidelijk is dat het besluit in stand zal blijven. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit tot vier weken nadat op het beroep is beslist, wat betekent dat de verzoeker in deze periode niet mag worden uitgezet. De voorzieningenrechter wijst ook op de kostenvergoeding die de minister aan de verzoeker moet betalen, inclusief het griffierecht en proceskosten. De uitspraak is gedaan op 14 november 2025 en is openbaar gemaakt zonder mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.23245
[V-Nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1993, van Turkse nationaliteit, verzoeker

(gemachtigde: mr. B. Aydin),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als kennismigrant’. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat verweerder zich zal onthouden van iedere maatregel tot het (doen) uitzetten dan wel verwijderen van verzoeker uit Nederland zolang niet is beslist op het beroepschrift en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Het bestreden besluit wordt geschorst tot vier weken nadat op het beroep geregistreerd onder NL24.21532 is beslist. Dat betekent dat verzoeker in deze periode niet mag worden uitgezet. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als kennismigrant’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 18 juli 2023 afgewezen (het primaire besluit). Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Met het bestreden besluit van 22 april 2024 op het bezwaar van verzoeker is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 15 oktober 2025 op zitting behandeld, samen met het beroep [2] . Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, M. Erbek als tolk in de taal Turks, [de persoon 1] als arbeidsdeskundige, [de persoon 2] namens [bedrijf] (werkgever), de gemachtigde van verweerder en [de persoon 3] namens het UWV. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.
6. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft partijen op 28 oktober 2025 laten weten dat het onderzoek wordt heropend en dat de zaak, geregistreerd onder NL24.21532 (het beroep), verwezen zal worden naar een meervoudige kamer. Dit vanwege de complexiteit van de zaak.
7. Verzoeker voert – kort gezegd – aan dat hij er belang bij heeft om hangende de beroepsprocedure waaraan het onderhavige verzoek connex is niet te worden uitgezet.
8. Verweerder verzet zich tegen een toewijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, omdat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die zouden maken dat verzoeker de uitkomst van onderhavige procedure in Nederland zou moeten afwachten. Gelet op al het in deze procedure door verweerder en door het UWV aangevoerde, concludeert verweerder tot ongegrondverklaring van het beroep.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Uit de heropeningsbeslissing en verwijzing door de enkelvoudige kamer naar de meervoudige kamer volgt reeds dat niet zonder meer duidelijk is dat het besluit in stand zal blijven. Aan de zijde van verweerder is niet gebleken van een zwaarder wegend belang dan de door verzoeker naar voren gebrachte belangen. Onder deze omstandigheden dienen de belangen van verzoeker te prevaleren boven het belang van verweerder en zal de voorzieningenrechter de verzochte voorlopige voorziening treffen.
10. Gelet op het voorgaande, schorst de voorzieningenrechter het bestreden besluit tot vier weken nadat op het beroep, geregistreerd onder NL24.21532, is beslist. Dat betekent dat verzoeker in deze periode niet mag worden uitgezet.
11. Omdat het verzoek wordt toegewezen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht vergoedt. Verzoeker krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst;
- bepaalt dat tot vier weken nadat op het beroep onder NL24.21352 is beslist, verzoeker niet mag worden uitgezet;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.NL24.21532.