ECLI:NL:RBDHA:2025:22801
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot zorgmachtiging wegens onvoldoende onderbouwing ernstig nadeel
De officier van justitie verzocht op 4 november 2025 om een zorgmachtiging voor betrokkene op grond van artikel 6:4 Wvggz Pro. Betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, betwistte het verzoek en gaf aan dat hij momenteel gelukkig is en geen ernstige psychische problemen meer ondervindt. De verpleegkundig specialist bevestigde dat betrokkene medicatie had afgebouwd en impulsief gedrag vertoonde, maar dat de situatie niet zodanig was dat verplichte zorg gerechtvaardigd was.
De rechtbank oordeelde dat het gestelde ernstig nadeel onvoldoende was geconcretiseerd en onderbouwd. De door de zorgaanbieder aangedragen omstandigheden, zoals bedreiging van een collega, het slopen van auto's en impulsief gedrag, werden door betrokkene betwist en niet met stukken onderbouwd. De rechtbank kon daardoor niet vaststellen dat er sprake was van ernstig nadeel dat verplichte zorg rechtvaardigt.
Gezien het ultimum remedium karakter van verplichte zorg en de grote inbreuk op de autonomie van betrokkene, werd het verzoek afgewezen. De rechtbank benadrukte het belang van vrijwillige behandeling en het maken van afspraken met behandelaren om verdere zorg te bevorderen.
Uitkomst: Het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van ernstig nadeel.