Op 4 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tussen een verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De verzoeker had een voorlopige voorziening aangevraagd tegen de verlaging van zijn loongerelateerde WIA-uitkering, die per 7 september 2025 zou worden gewijzigd in een vervolguitkering van € 943,30 bruto per maand. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek kennelijk ongegrond was, omdat niet was gebleken van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter benadrukte dat bij financiële geschillen, zoals deze, er doorgaans geen sprake is van spoedeisend belang, tenzij er een onomkeerbare situatie dreigt, zoals faillissement of acute financiële nood. De verzoeker voerde aan dat hij door de verlaging van zijn uitkering in de komende maanden niet in zijn vaste lasten en dagelijkse kosten kan voorzien, maar de voorzieningenrechter stelde vast dat er geen bewijs was overgelegd dat dit daadwerkelijk het geval was. De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen acute financiële noodsituatie was en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd, en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.