Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het UWV om zijn loongerelateerde WIA-uitkering te verlagen naar een vervolguitkering van € 943,30 bruto per maand per 7 september 2025. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en concludeerde dat er geen sprake was van een spoedeisend belang, zoals vereist voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Verzoeker stelde dat hij door de inkomensvermindering niet in staat zou zijn om zijn vaste lasten en dagelijkse kosten te betalen, waardoor er sprake zou zijn van een acute financiële noodsituatie. Het UWV gaf aan dat er geen sprake was van een onomkeerbare situatie of evident onjuiste beslissing en dat de vertraging in de bezwaarprocedure te wijten was aan een tekort aan verzekeringsartsen.
De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker geen bewijs had geleverd van een acute financiële nood en dat het mogelijk is om aanvullende bijstand aan te vragen indien het gezinsinkomen onder het bijstandsniveau zou komen. Daarom werd het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.