ECLI:NL:RBDHA:2025:22808

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
SGR 25/7525
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake WIA-uitkering door de voorzieningenrechter

Op 4 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tussen een verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De verzoeker had een voorlopige voorziening aangevraagd tegen de verlaging van zijn loongerelateerde WIA-uitkering, die per 7 september 2025 zou worden gewijzigd in een vervolguitkering van € 943,30 bruto per maand. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek kennelijk ongegrond was, omdat niet was gebleken van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter benadrukte dat bij financiële geschillen, zoals deze, er doorgaans geen sprake is van spoedeisend belang, tenzij er een onomkeerbare situatie dreigt, zoals faillissement of acute financiële nood. De verzoeker voerde aan dat hij door de verlaging van zijn uitkering in de komende maanden niet in zijn vaste lasten en dagelijkse kosten kan voorzien, maar de voorzieningenrechter stelde vast dat er geen bewijs was overgelegd dat dit daadwerkelijk het geval was. De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen acute financiële noodsituatie was en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd, en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7525

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: G.J.J. Oostermeijer),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv
(gemachtigde:C. Schravesande).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de verlaging van zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Het Uwv heeft in het besluit van 15 juli 2025 bepaald dat eisers loongerelateerde WIA-uitkering per 7 september 2025 gewijzigd wordt in een vervolguitkering van € 943,30 bruto per maand. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de rechtbank

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert aan dat hij door het besluit van 15 juli 2025 netto per maand ruim € 930,- minder inkomen heeft. Als gevolg daarvan kan verzoeker in de komende maanden niet voldoende bijdragen in het gezinsinkomen om de vaste lasten en dagelijkse kosten te kunnen betalen. Daarom is er volgens verzoeker sprake van een spoedeisend belang.
4. Het Uwv geeft aan te betreuren dat wegens een tekort aan verzekeringsartsen bezwaar en beroep niet tijdig op de bezwaren van verzoeker gereageerd kan worden, maar dat er door deze vertraging nog geen spoedeisend belang is. Volgens het Uwv blijkt niet dat in dit geval sprake is van een spoedeisende of onomkeerbare situatie. Noch is er sprake van een evident onjuiste beslissing.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen stukken heeft aangeleverd waaruit blijkt dat hij zijn vaste lasten en dagelijkse kosten niet kan betalen. Aannemelijk is dat verzoeker er in zijn inkomen fors op achteruit is gegaan. Indien het gezamenlijke inkomen van het gezin daardoor onder bijstandsniveau komt, staat het hem vrij om aanvullende bijstand aan te vragen. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat geen sprake is van een acute financiële noodsituatie.

Conclusie en gevolgen

6. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.