ECLI:NL:RBDHA:2025:22809

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
SGR 25/7464
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens gebrek aan spoedeisend belang

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 4 december 2025, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster afgewezen. Verzoekster had een aanvraag ingediend voor een toeslag op haar WAO-uitkering, maar het Uwv had deze aanvraag niet verder behandeld omdat er onbekende inkomsten van haar partner zouden zijn. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is, omdat er geen spoedeisend belang is aangetoond.

De voorzieningenrechter legt uit dat volgens artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening kan worden getroffen als er sprake is van 'onverwijlde spoed'. In deze zaak, die een financieel geschil betreft, is dat niet snel het geval. De voorzieningenrechter wijst erop dat na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog kan worden terugbetaald, indien nodig met wettelijke rente. Er moet sprake zijn van een onomkeerbare situatie of acute financiële nood om een spoedeisend belang aan te nemen.

Verzoekster stelt dat zij en haar echtgenoot met hun uitkeringen niet rond kunnen komen en dat zij in financiële problemen verkeren. Echter, het Uwv betwist dit en stelt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat er sprake is van een acute noodsituatie. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoekster niet voldoende bewijs heeft geleverd voor haar stellingen en dat er geen spoedeisend belang is. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7464

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 december 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv (gemachtigde: B.M. de Wolff).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit om haar aanvraag niet verder te behandelen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2
Het Uwv heeft in het besluit van 18 augustus 2025 bepaald dat de aanvraag van verzoekster om een toeslag op haar WAO-uitkering nu niet beoordeelt, omdat de partner van verzoekster volgens het Uwv onbekende inkomsten heeft. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de rechtbank

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoekster voert aan dat zij met haar echtgenoot vanaf juni 2025 iedere maand rond moet komen van € 860,- uitkering, € 350,- huurtoeslag en € 250,- zorgtoeslag. De vaste lasten zijn rond de € 2.120,- netto per maand. Volgens verzoekster is er geen spaargeld meer en staan zij en haar partner in het rood. Zij komen iedere maand ruim € 600,- per maand te kort, waardoor rekeningen mogelijk onbetaald blijven en schulden snel toenemen. Er is nauwelijks geld over voor boodschappen of andere basisbehoeften. Verder is het volgens verzoekster onterecht om de inkomsten van haar inwonende dochter mee te nemen bij de beoordeling van haar recht op toeslag. Haar dochter krijgt binnenkort een eigen woonruimte, waarvoor zij haar inkomen nodig heeft om in te richten en de eerste kosten te betalen.
4. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat bij verzoekster geen sprake is van een spoedeisend belang. Verzoekster ontvangt iedere maand een WAO-uitkering. Het is verweerder niet bekend of verzoekster of haar partner zich al tot de gemeente hebben gewend voor een aanvullende bijstandsuitkering. Ook heeft verzoekster haar stellingen niet onderbouwd met nadere stukken waaruit een acute financiële noodsituatie ook daadwerkelijk zou blijken. Verweerder merkt verder op dat de (nog steeds) inwonende dochter van verzoekster op dit moment een uitkering van verweerder ontvangt.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster bij haar verzoekschrift een door haarzelf opgesteld overzicht van de maandelijkse vaste lasten en inkomsten heeft gevoegd. Verzoekster heeft daarmee niet met stukken onderbouwd dat er sprake is van een spoedeisend belang. Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk niet dat sprake is van acute financiële nood. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat verzoeksters dochter momenteel bij haar inwoont en een inkomen geniet. Dat volgens verzoekster geen sprake is van een gezamenlijke huishouding en dat verzoeksters dochter binnenkort een eigen woonruimte krijgt, betekent niet dat zij niet in de maandelijkse lasten zou kunnen bijdragen voor zolang zij bij verzoekster inwoont.

Conclusie en gevolgen

6. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.