Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 december 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Rechtbank Den Haag
In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 4 december 2025, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster afgewezen. Verzoekster had een aanvraag ingediend voor een toeslag op haar WAO-uitkering, maar het Uwv had deze aanvraag niet verder behandeld omdat er onbekende inkomsten van haar partner zouden zijn. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is, omdat er geen spoedeisend belang is aangetoond.
De voorzieningenrechter legt uit dat volgens artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening kan worden getroffen als er sprake is van 'onverwijlde spoed'. In deze zaak, die een financieel geschil betreft, is dat niet snel het geval. De voorzieningenrechter wijst erop dat na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog kan worden terugbetaald, indien nodig met wettelijke rente. Er moet sprake zijn van een onomkeerbare situatie of acute financiële nood om een spoedeisend belang aan te nemen.
Verzoekster stelt dat zij en haar echtgenoot met hun uitkeringen niet rond kunnen komen en dat zij in financiële problemen verkeren. Echter, het Uwv betwist dit en stelt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat er sprake is van een acute noodsituatie. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoekster niet voldoende bewijs heeft geleverd voor haar stellingen en dat er geen spoedeisend belang is. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.