In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 3 december 2025, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening van de verzoeker afgewezen. De verzoeker, die op 3 juli 2025 ziek werd, had bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn Ziektewet-uitkering door het Uwv, die was gebaseerd op een dagloon van € 76,93. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is, omdat niet is gebleken van een spoedeisend belang.
De voorzieningenrechter legt uit dat volgens artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen als er sprake is van 'onverwijlde spoed'. In deze zaak, die een financieel geschil betreft, is dat niet snel het geval. De voorzieningenrechter wijst erop dat na afloop van de bodemzaak het bedrag alsnog kan worden terugbetaald, en dat er geen onomkeerbare situatie dreigt.
De verzoeker stelt dat het te laag vastgestelde dagloon leidt tot financiële problemen en stress, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat de verzoeker niet heeft aangetoond dat er sprake is van acute financiële nood. Het Uwv betwist de spoedeisendheid van het verzoek en wijst erop dat de verzoeker slechts kort bij zijn laatste werkgever heeft gewerkt. De voorzieningenrechter concludeert dat er geen spoedeisend belang is en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af, zonder proceskostenveroordeling.