ECLI:NL:RBDHA:2025:22810

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
SGR 25/7227
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening Ziektewet-uitkering wegens gebrek aan spoedeisend belang

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 3 december 2025, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening van de verzoeker afgewezen. De verzoeker, die op 3 juli 2025 ziek werd, had bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn Ziektewet-uitkering door het Uwv, die was gebaseerd op een dagloon van € 76,93. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is, omdat niet is gebleken van een spoedeisend belang.

De voorzieningenrechter legt uit dat volgens artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen als er sprake is van 'onverwijlde spoed'. In deze zaak, die een financieel geschil betreft, is dat niet snel het geval. De voorzieningenrechter wijst erop dat na afloop van de bodemzaak het bedrag alsnog kan worden terugbetaald, en dat er geen onomkeerbare situatie dreigt.

De verzoeker stelt dat het te laag vastgestelde dagloon leidt tot financiële problemen en stress, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat de verzoeker niet heeft aangetoond dat er sprake is van acute financiële nood. Het Uwv betwist de spoedeisendheid van het verzoek en wijst erop dat de verzoeker slechts kort bij zijn laatste werkgever heeft gewerkt. De voorzieningenrechter concludeert dat er geen spoedeisend belang is en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af, zonder proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7227

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv
(gemachtigde: [naam] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het toekennen van een Ziektewet-uitkering op basis van een te laag dagloon. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Verzoeker is op 3 juli 2025 ziek geworden. Het Uwv heeft in het besluit van 28 augustus 2025 bepaald dat verzoeker recht heeft op een Ziektewet-uitkering gebaseerd op een dagloon van € 76,93. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de berekening van het dagloon.
1.2
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de rechtbank

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert aan dat het dagloon te laag is vastgesteld. Hierdoor kan hij zijn vaste lasten niet voldoen. Ten gevolge hiervan heeft verzoeker financiële schade en schulden opgebouwd, wat ernstige stress en psychische druk veroorzaakt. Volgens verzoeker is de situatie onhoudbaar en spoedeisend, omdat zijn financiële problemen groter worden zolang het dagloon ongecorrigeerd blijft. Verzoeker geeft aan dat hij geen bijstandsuitkering heeft aangevraagd, omdat hij reeds een lopende Ziektewet-uitkering van het Uwv ontvangt. Een aanvullende uitkering is volgens hem niet mogelijk of passend, omdat het primaire probleem bij het foutief vastgestelde dagloon ligt.
4. Het Uwv is van mening dat er geen spoedeisend financieel belang is in deze zaak. Het Uwv merkt op dat verzoeker slechts en paar dagen bij zijn laatste werkgever heeft gewerkt, en dat onduidelijk is hoe verzoeker zijn vaste lasten vóór zijn indiensttreding wel kon betalen, en tijdens het ontvangen van de Ziektewet-uitkering niet.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet heeft onderbouwd dat sprake is van acute financiële nood. Het is onduidelijk hoe verzoeker voorafgaand aan zijn indiensttreding voldeed aan zijn vaste lasten. Daarnaast is het de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoeker een bijstandsuitkering heeft aangevraagd. Uit de omstandigheid dat verzoeker aanneemt dat een aanvullende uitkering niet mogelijk of passend is, kan niet worden afgeleid dat hij daadwerkelijk geen toegang heeft tot deze vorm van inkomen. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat geen sprake is van een acute financiële noodsituatie.

Conclusie en gevolgen

6. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.