Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het UWV om zijn Ziektewet-uitkering per 20 september 2025 stop te zetten. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek op grond van de spoedeisendheid van het belang.
Hoewel verzoeker stelt dat de beëindiging van de uitkering leidt tot een substantiële inkomensdaling zonder compensatie, heeft hij dit onvoldoende onderbouwd. Verzoeker heeft geen bewijs geleverd van een acute financiële noodsituatie en heeft niet aannemelijk gemaakt dat alternatieve uitkeringen, zoals WW of bijstand, niet haalbaar zijn.
De voorzieningenrechter concludeert dat er geen onverwijlde spoed is en dat het verzoek daarom kennelijk ongegrond is. Het verzoek wordt zonder zitting afgewezen en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeschil. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.