In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 3 december 2025, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening van de verzoeker afgewezen. De verzoeker had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om zijn Ziektewet-uitkering per 20 september 2025 stop te zetten. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is, omdat er geen spoedeisend belang is aangetoond. De voorzieningenrechter legt uit dat bij financiële geschillen, zoals in deze zaak, niet snel sprake is van onverwijlde spoed, aangezien het bedrag na afloop van de bodemzaak kan worden terugbetaald, eventueel met wettelijke rente. De verzoeker stelt dat de beëindiging van zijn uitkering leidt tot een plotselinge inkomensdaling, maar de voorzieningenrechter constateert dat de verzoeker niet heeft onderbouwd dat er geen andere inkomstenbronnen beschikbaar zijn. Het Uwv heeft geadviseerd om een WW-uitkering aan te vragen, maar er zijn geen gegevens dat dit is gebeurd. De verzoeker heeft geen bewijsstukken overgelegd die zijn stelling van acute financiële nood ondersteunen. Daarom concludeert de voorzieningenrechter dat er geen spoedeisend belang is en wijst het verzoek af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.