ECLI:NL:RBDHA:2025:22813

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
AWB 25 13078
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen de mondelinge aanzegging verlaten COa-locatie

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 26 november 2025, wordt het beroep van eiseres tegen de mondelinge aanzegging van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) behandeld. Eiseres, die op 13 juni 2025 te horen kreeg dat zij en haar kind de opvanglocatie moesten verlaten, heeft beroep ingesteld tegen deze aanzegging. De rechtbank oordeelt dat zij onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen. Dit oordeel is gebaseerd op de overweging dat de mondelinge aanzegging niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank stelt vast dat de verplichting om de opvang te verlaten voortvloeit uit een eerder besluit van het COa van 14 mei 2025, waarin de beëindiging van de verstrekkingen aan eiseres werd vastgesteld. Eiseres had niet tijdig een rechtsmiddel aangewend tegen dit besluit, waardoor de mondelinge aanzegging slechts een mededeling was van een reeds genomen besluit. De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ter onderbouwing van haar oordeel. De uitspraak wordt gedaan zonder zitting en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/13078

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. R.M. Vaalburg),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa.

Inleiding

1.1.
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de mondelinge aanzegging van het COa op 13 juni 2025 dat eiseres en haar kind de opvanglocatie moeten verlaten.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij onbevoegd is om van het beroep tegen de mondelinge aanzegging kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.4.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. Op 14 mei 2025 heeft het COa een besluit genomen over de beëindiging van de verstrekkingen die eiseres ontvangt op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005). In dit besluit is opgenomen dat de IND heeft bepaald dat aan eiseres uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) tot en met 23 mei 2025, dan wel zes weken na de bevallingsdatum van eiseres. Tijdens deze periode heeft eiseres rechtmatig verblijf. Haar recht op opvang eindigt vier weken nadat het rechtmatig verblijf is geëindigd. Volgens het COa is er geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat aan eiseres en haar kind alsnog langer opvang moet worden verleend. Zij moesten daarom op 13 juni 2025 het AZC in Den Helder verlaten.
3. Tegen de beëindiging van deze verstrekkingen heeft eiseres niet binnen de in het besluit van 14 mei 2025 gestelde termijn een rechtsmiddel aangewend. Vervolgens heeft het COa op 13 juni 2025 aan eiseres medegedeeld dat zij en haar kind de opvang moesten verlaten. Eiseres heeft bij verzoekschrift van 13 juni 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is met de uitspraak van 19 juni 2025 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats, afgewezen. [2]
Waar richt het beroep zich tegen?
4. In de gronden van beroep van 16 juli 2025 specificeert eiseres in de eerste plaats dat haar beroep zich richt tegen de mondelinge mededeling van het COa op 13 juni 2025 dat eiseres en haar baby het AZC in Den Helder op die dag moesten verlaten. Op 13 juni 2025 heeft eiseres bezwaar ingesteld tegen de feitelijke handeling van het COa op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. Volgens de rechtbank is artikel 5 van de Wet COA van toepassing waardoor het bezwaar als beroep is aangemerkt en doorgezonden. De mededeling van het COa betreft volgens eiseres dan een handeling in het kader van de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens de Wet COa die met een besluit gelijkgesteld kan worden. Dat het beroep van eiseres zich richt tegen de mondelinge aanzegging van het COA heeft de gemachtigde op 8 september 2025 nogmaals bevestigd.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank moet eerst de vraag beantwoorden of zij bevoegd is. Daarvoor is hier van belang dat sprake moet zijn van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende namelijk alleen tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.
5.1.
In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb staat dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is de mondelinge aanzegging van 13 juni 2025 niet aan te merken of gelijk te stellen met een besluit. Dat eiseres en haar kind de opvang moesten verlaten volgde namelijk niet uit de mondelinge aanzegging, maar uit het besluit tot beëindigen van de Rva-verstrekkingen van 14 mei 2025. Dit was weer een besluit wat volgde uit het beëindigen van het procedureel rechtmatig verblijf van eiseres omdat haar uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 ten einde liep. Eiseres wist daarom, in ieder geval bij het besluit tot beëindigen van de Rva-verstrekkingen, al dat zij de opvang zou moeten verlaten. Dit betekent dat de mondelinge aanzegging geen zelfstandig rechtsgevolg teweeg brengt en niet meer is dan de mededeling van het gevolg van het beëindigen van haar Rva-verstrekkingen. De rechtbank verwijst voor haar oordeel naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 maart 2018. [3]
5.3.
Het gevolg hiervan is dat geen beroep open staat tegen de mondelinge aanzegging. De rechtbank is daarom onbevoegd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54, eerste lid, onder a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
2.Uitspraak van de voorzieningenrechter van rb. Den Haag, zp. Arnhem 19 juni 2025, AWB 25/12569 (niet gepubliceerd).
3.ABRvS 22 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:925