ECLI:NL:RBDHA:2025:22848
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring wegens zicht op uitzetting Senegal
De minister van Asiel en Migratie legde op 2 oktober 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank toetste alleen de periode vanaf 15 oktober 2025 tot 24 november 2025, omdat eerdere rechtmatigheid reeds was vastgesteld.
Eiser voerde aan dat er geen zicht was op uitzetting naar Senegal omdat de Senegalese autoriteiten nog geen laissez-passer hadden afgegeven en hij al elf maanden in bewaring of detentie verbleef. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek bij de Senegalese autoriteiten nog loopt en verweerder regelmatig rappelleert. Eiser had onvoldoende medewerking verleend aan zijn terugkeer, waardoor het zicht op uitzetting aanwezig blijft.
Verder stelde eiser dat een lichter middel zoals een meldplicht had moeten worden toegepast vanwege zijn vaste verblijfplaats en lopende procedures. De rechtbank verwees naar eerdere rechtspraak waarin werd geoordeeld dat geen lichter middel noodzakelijk was gezien het onttrekkingsrisico en het gebrek aan medewerking van eiser.
De rechtbank overwoog dat gedurende de eerste zes maanden van bewaring het belang van verweerder zwaarder weegt dan dat van eiser, en dat geen bijzondere omstandigheden waren die dat anders maakten. Ook ambtshalve toetsing aan EU-recht en het beginsel van non-refoulement leverde geen onrechtmatigheid op.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.