ECLI:NL:RBDHA:2025:2288

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2025
Publicatiedatum
18 februari 2025
Zaaknummer
NL23.31715
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:84 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking verzoek voorlopige voorziening wegens tegemoetkoming minister

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin werd geoordeeld dat verzoekster niet onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt. Na het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening heeft de minister het bezwaar gegrond verklaard, waarna verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening introk en de minister verzocht werd te veroordelen in de proceskosten.

De voorzieningenrechter heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren, waarna deze aangaf bereid te zijn de proceskosten van €907,- te vergoeden. Gezien de tegemoetkoming van de minister en de intrekking van het verzoek, achtte de voorzieningenrechter het verzoek om proceskostenveroordeling kennelijk gegrond en wees dit toe.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en is definitief, aangezien tegen deze beslissing geen hoger beroep of verzet mogelijk is. De proceskostenveroordeling is gebaseerd op de toepasselijke artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €907,- aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.31715

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoekster,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van de minister in de proceskosten.
1.1.
Verzoekster heeft bezwaar ingediend tegen het besluit van 7 september 2023 waarin de minister van oordeel is dat verzoekster niet valt onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (2001/55 EG). Op 5 oktober 2023 heeft verzoekster om een voorlopige voorziening gevraagd.
1.2.
Bij besluit van 15 april 2024 heeft de minister het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Verzoekster heeft vervolgens het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en daarbij verzocht de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek. De minister heeft de rechtbank laten weten bereid te zijn de proceskosten aan verzoekster te vergoeden.
1.5.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
3. Als een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift tegemoet is gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
4. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, is de minister in het besluit van 15 april 2024 tegemoetgekomen aan de indiener van het verzoek om een voorlopige voorziening.
5. De minister heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt geteld dat het besluit van 7 september 2023 is herroepen wegens een aan haar te wijten onrechtmatigheid. Ook ter zake van het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening geeft de minister bij brief van 13 februari 2025 aan bereid te zijn de proceskosten van € 907,- aan verzoekster te vergoeden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe.

Conclusie en gevolgen

6. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe tot een bedrag van
€ 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:84, vijfde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
2.Artikel 8:75a van de Awb, nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, is artikel 8:75a van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.