ECLI:NL:RBDHA:2025:22894

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
C/09/687511 / JE RK 25-1140
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling in een jeugdzorgzaak met betrekking tot twee minderjarigen

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag op 10 november 2025 een beschikking gegeven over de afwijzing van een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De ondertoezichtstelling was eerder verlengd tot 14 november 2025, maar de kinderrechter oordeelde dat de gronden voor de ondertoezichtstelling niet langer aanwezig waren. De gecertificeerde instelling, Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden, had verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor nog eens zes maanden, maar de kinderrechter concludeerde dat de vader van de kinderen niet bereid was om mee te werken aan de begeleide omgang en hulpverlening, wat essentieel was voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De moeder van de kinderen gaf aan dat zij de benodigde hulp voor de kinderen in het vrijwillig kader kon inschakelen, wat de kinderrechter als voldoende achtte. De kinderrechter heeft de belangen van de kinderen in overweging genomen en besloot dat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling moest worden afgewezen. De beslissing werd openbaar uitgesproken en is schriftelijk vastgelegd op 18 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/687511 / JE RK 25-1140
Datum uitspraak: 10 november 2025
Beschikking van de kinderrechter
Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 14 november 2025 verlengd en het verzoek voor het overige aangehouden tot deze zitting.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 15 juli 2025 en de daarin genoemde stukken;
  • de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling van 16 oktober 2025.
1.3.
Op 10 november 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam] , namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder;
  • de vader.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter kort samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Voor een overzicht van de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 15 juli 2025.

3.Het verzoek

3.1.
Het aangehouden deel van het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de nog resterende duur van zes maanden. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft op de zitting aangegeven dat er na de zitting van 15 juli 2025 geen omgangsmomenten meer tussen de vader en de kinderen hebben plaatsgevonden. De vader heeft aangegeven dat hij nergens meer aan gaat meewerken. Hoewel in het belang van de kinderen de omgangsmomenten tussen de vader en de kinderen voortgezet zouden moeten worden, nu de kinderen zelf aangeven hun vader niet te willen missen, lukt het zonder de medewerking van de vader niet om aan dit doel te werken. Voor passende hulpverlening voor de kinderen is geen dwangkader nodig, omdat de gecertificeerde instelling erop vertrouwt dat moeder ook in het vrijwillig kader passende hulpverlening voor de kinderen zal inschakelen.

4.De standpunten

4.1.
De moeder is het eens met het verzochte. De moeder geeft aan dat zij moeite heeft om emotionele toestemming te geven voor de omgang tussen de vader en de kinderen. De moeder ervaart dat zij zelf het overzicht moet bewaren, omdat de begeleiding van Sensazorg de gemaakte afspraken niet nakomt. Sensazorg zorgt niet voor (deugdelijke) verslaglegging en de begeleide bezoekmomenten worden onvoldoende begeleid, waardoor de moeder zorgen heeft dat er door de vader tegen de kinderen slecht over haar wordt gepraat. De moeder vindt het belangrijk dat een andere organisatie de omgangsmomenten gaat begeleiden, dat Parallel Solo Ouderschap wordt ingezet en dat de vader opvoedondersteuning krijgt om beter aan te sluiten bij de kinderen
4.2.
De vader heeft het volgende naar voren gebracht. De vader geeft aan dat hij al zes jaar vecht om zijn kinderen op een normale manier te kunnen zien, maar dat dit door de moeder wordt tegengehouden. De vader is het beu dat hij zichzelf continue moet verdedigen. De vader voelt veel pijn en is kapot, maar blijft erbij de omgang met de kinderen te stoppen om rust te creëren. De vader zou de kinderen kunnen zien bij de opa en oma vaderzijde, maar ook dit contact wordt niet wordt ondersteund door de moeder. De vader vindt het belangrijk dat er diagnostiek voor de kinderen komt en maakt zich zorgen over het gewicht van [minderjarige 2] . De vader geeft aan dat hij altijd een goede vader is geweest, en hoopt dat de kinderen in de toekomst zelf naar hem toe zullen komen.
5.
De beoordeling
5.1.
Op grond van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de gronden voor een ondertoezichtstelling, genoemd in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), niet meer, althans onvoldoende, aanwezig zijn. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.2.
Er is nog steeds sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit komt onder meer door de gespannen verhouding tussen de vader en de moeder, het uitblijven van de omgang tussen de vader en de kinderen en de traumatische gebeurtenissen die de kinderen hebben meegemaakt. In het belang van de kinderen is het wenselijk dat de omgang met de vader wordt voortgezet, maar voor een doelmatige uitvoering van de ondertoezichtstelling is hiervoor medewerking van de vader noodzakelijk. De vader heeft echter herhaaldelijk aangegeven, zowel bij de gecertificeerde instelling als tijdens de zitting, dat hij niet zal meewerken met de begeleide omgangsmomenten, geen hulpverlening meer zal accepteren en vooral behoefte heeft aan rust. De kinderrechter is daarom van oordeel dat de ondertoezichtstelling niet langer uitvoerbaar is. Het gedwongen kader heeft in de afgelopen periode niet kunnen bijdragen aan het tot stand brengen van de noodzakelijke omgang tussen de kinderen en de vader en het wegnemen van de gespannen verhouding tussen de vader en de moeder. De moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij de benodigde hulp (zoals traumatherapie) voor de kinderen in het vrijwillig kader kan en zal inschakelen. Gelet op het voorgaande zal het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden afgewezen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2025 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Plug als griffier, en op schrift gesteld op 18 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.