ECLI:NL:RBDHA:2025:22895

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
C/09/693031 / JE RK 25-1758
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken in een jeugdzorgzaak

In deze zaak heeft de kinderrechter op 10 november 2025 een beschikking gegeven over de wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken voor de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De zaak betreft een verzoek van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, die als gecertificeerde instelling optreedt. De kinderrechter heeft de moeder en de vader van de kinderen als belanghebbenden aangemerkt, evenals de opa van de kinderen aan moederszijde. De procedure begon met een verzoekschrift dat op 14 oktober 2025 werd ingediend. Tijdens de zitting op 10 november 2025, die achter gesloten deuren plaatsvond, zijn de betrokken partijen gehoord. De kinderrechter heeft de kinderen naar hun mening gevraagd, en hun input is meegenomen in de beoordeling.

De feiten van de zaak tonen aan dat de vader en de moeder gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uitoefenen, maar dat de kinderen bij de vader wonen. Eerdere beschikkingen hebben bepaald dat de kinderen de hoofdverblijfplaats bij de vader hebben, met een regeling voor contact met de moeder. De gecertificeerde instelling heeft verzocht om de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, omdat de moeder, door haar licht verstandelijke beperking en psychische problematiek, niet in staat zou zijn om de opvoeding van de kinderen op zich te nemen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er gewijzigde omstandigheden zijn die een wijziging van de zorgregeling noodzakelijk maken in het belang van de kinderen.

De kinderrechter heeft besloten dat de kinderen de moeder één keer in de drie weken op zaterdag bij de opa kunnen zien, met de mogelijkheid tot uitbreiding van deze bezoeken. De gecertificeerde instelling is belast met de regie over de contacten tussen de moeder en de kinderen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/693031 / JE RK 25-1758
Datum uitspraak: 10 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. D. Vurdelja uit Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M. Wigman uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de opa],
hierna te noemen: de opa (moederszijde).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [naam] , namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
  • de opa moederszijde.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een bericht naar de kinderrechter gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter kort verteld wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geschreven.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader.
2.4.
Bij beschikking van 25 maart 2024 heeft de familierechter in deze rechtbank bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vader. Ook is bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder zijn op een door de gecertificeerde instelling bepaalde wijze, waarbij geldt dat onder de regie van de gecertificeerde instelling toegewerkt zal worden naar hervatting van de week op/week af co-ouderschapsregeling.
2.5.
Bij beschikking 15 mei 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 25 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de door de rechtbank op 25 maart 2024 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen in de door de gecertificeerde instelling opgestelde verdeling van de zorg- en opvoedtaken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek als volgt. De gecertificeerde instelling is van mening dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader moeten blijven wonen en dat niet meer moet worden toegewerkt naar de hervatting van de week op/ week af co-ouderschapsregeling. De moeder is vanwege haar licht verstandelijke beperking en psychische problematiek niet stabiel genoeg om de opvoeding van de kinderen op zich te nemen. De moeder is snel overprikkeld en lijkt niet leerbaar, waardoor zij moeite heeft met ingewikkelde situaties, regels of sociale signalen, en niet begrijpt wat van haar wordt verwacht op het gebied van (veilig) opvoeden. De kinderen hadden twee keer per week begeleid contact met de moeder, maar doordat de moeder de begeleiding niet kon accepteren en de afspraken niet kon volhouden, hebben de kinderen haar maandenlang niet gezien. Sinds september 2025 ziet de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer samen met de opa (moederszijde) erbij. Dit verloopt goed. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben duidelijkheid nodig over wanneer zij de moeder kunnen zien en de gecertificeerde instelling verzoekt dit vast te leggen in een gewijzigde verdeling van de zorg- en opvoedtaken.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is het volgende naar voren gebracht. In de beschikking van 24 maart 2025 is bewust genoemd dat toegewerkt moet worden naar een co-ouderschapsregeling. Uit het verzoekschrift van de gecertificeerde instelling blijkt dat er geen ruimte is voor co-ouderschap, terwijl de gecertificeerde instelling ter onderbouwing dingen heeft genoemd die niet recent zijn. De moeder heeft verschillende aanmeldingen gedaan voor hulp en ontvangt nu onder meer ondersteuning thuis. De rust en stabiliteit is teruggekeerd. De moeder vindt het positief dat zij haar kinderen ziet en zij vindt het fijn dat de opa is betrokken. De moeder wil in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] meewerken aan de voorgestelde regeling. De moeder hoopt vanuit deze basis toe te kunnen werken naar co-ouderschap.
4.2.
Door en namens de vader wordt ingestemd met het verzochte. Een co-ouderschapsregeling is niet haalbaar. Het plan zoals nu is voorgesteld, geeft duidelijkheid voor de kinderen en beide ouders, met een helder vastgelegde rol voor opa. De vader vindt het fijn dat er goed contact is met de opa en vertrouwt hem.
4.3.
Desgevraagd heeft de opa aangegeven dat hij zich wil inzetten voor zijn kleinkinderen en achter de door de gecertificeerde instelling genoemde verdeling van de zorg- en opvoedtaken staat.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:265g, tweede lid, BW kan de kinderrechter de vastgestelde zorgregeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Naar het oordeel van de kinderrechter is er in deze zaak sprake van gewijzigde omstandigheden die maken dat de wijziging van de zorgregeling noodzakelijk is in het belang van de kinderen.
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De gecertificeerde instelling heeft voldoende gemotiveerd onderbouwd dat ondanks de ingezette ondersteuning bij de moeder thuis, het toewerken naar een co-ouderschapsregeling met de moeder vanwege haar eigen problematiek niet haalbaar is. Het afgelopen jaar heeft door het wantrouwen van de moeder naar de begeleiders tijdens de zorgregeling gedurende langere tijd bovendien geen bezoek tussen haar en de kinderen plaatsgevonden. Sinds september 2025 zijn de bezoekmomenten tussen de moeder en de kinderen weer opgestart en vinden deze plaats in het bijzin van de opa. Dit loopt goed, de kinderen genieten van het contact met de moeder en is er sprake van wederzijds vertrouwen tussen alle betrokken partijen. In het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is het noodzakelijk dat de huidige verdeling in de zorg- en opvoedingstaken wordt gewijzigd om onduidelijkheden en onzekerheden rondom de bezoekmomenten met de moeder zo veel mogelijk weg te nemen en de kinderen rust en stabiliteit te bieden. De kinderrechter acht de voorgestelde zorgregeling met de tijdens de zitting aanvullend overeengekomen afspraak dat de bezoeken voortaan op zaterdag tussen zullen plaatsvinden, zoals tussen de moeder, de vader, de opa moederszijde en de gecertificeerde instelling is afgesproken, in het belang van de kinderen. De kinderrechter zal de gecertificeerde instelling belasten met de regie over de aard, frequentie, begeleiding en uitbreiding van de contacten tussen de moeder en de kinderen. Het is aan de gecertificeerde instelling om te bepalen wie de bezoeken tussen de moeder en de kinderen begeleidt, in dit geval de opa, en of de bezoeken met de moeder kunnen worden uitgebreid, eventueel ook met een nachtje logeren (bij de opa, waarbij de moeder indiende gecertificeerde instelling dat veilig vindt, kan aansluiten). Daarbij kan de gecertificeerde instelling bepalen dat de vader de moeder en opa inlicht als er iets belangrijks is rondom de kinderen zoals afzwemmen bijvoorbeeld, zodat de moeder onder begeleiding van opa kan aansluiten.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
Wijzigt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin dat:
de kinderen de moeder één keer in de drie weken op zaterdag bij de opa (moederszijde) zien (dit mag afwijken als opa een keer niet kan) tussen 08:30 uur en 19:00 uur. De bezoeken kunnen, indien deze positief verlopen, worden uitgebreid naar een dag per twee weken.
belast de gecertificeerde instelling met de regie over de aard, frequentie, begeleiding en duur van de contacten tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de moeder en de wijze waarop de uitbreiding van dit contact wordt vormgegeven.
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2025 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Plug als griffier, en op schrift gesteld op 21 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.