In deze zaak heeft de kinderrechter op 10 november 2025 een beschikking gegeven over de wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken voor de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De zaak betreft een verzoek van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, die als gecertificeerde instelling optreedt. De kinderrechter heeft de moeder en de vader van de kinderen als belanghebbenden aangemerkt, evenals de opa van de kinderen aan moederszijde. De procedure begon met een verzoekschrift dat op 14 oktober 2025 werd ingediend. Tijdens de zitting op 10 november 2025, die achter gesloten deuren plaatsvond, zijn de betrokken partijen gehoord. De kinderrechter heeft de kinderen naar hun mening gevraagd, en hun input is meegenomen in de beoordeling.
De feiten van de zaak tonen aan dat de vader en de moeder gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uitoefenen, maar dat de kinderen bij de vader wonen. Eerdere beschikkingen hebben bepaald dat de kinderen de hoofdverblijfplaats bij de vader hebben, met een regeling voor contact met de moeder. De gecertificeerde instelling heeft verzocht om de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, omdat de moeder, door haar licht verstandelijke beperking en psychische problematiek, niet in staat zou zijn om de opvoeding van de kinderen op zich te nemen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er gewijzigde omstandigheden zijn die een wijziging van de zorgregeling noodzakelijk maken in het belang van de kinderen.
De kinderrechter heeft besloten dat de kinderen de moeder één keer in de drie weken op zaterdag bij de opa kunnen zien, met de mogelijkheid tot uitbreiding van deze bezoeken. De gecertificeerde instelling is belast met de regie over de contacten tussen de moeder en de kinderen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.