De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot wijziging van de op 25 maart 2024 vastgestelde verdeling van zorg- en opvoedingstaken voor twee minderjarige kinderen, geboren in 2017. De kinderen wonen bij hun vader en staan onder toezicht tot 25 mei 2026. De gecertificeerde instelling stelt dat de moeder vanwege haar licht verstandelijke beperking en psychische problematiek niet stabiel genoeg is voor co-ouderschap, en dat het contact met de moeder slechts onder begeleiding van de opa plaatsvindt.
De moeder betwist dat co-ouderschap onmogelijk is en benadrukt dat zij inmiddels ondersteuning ontvangt en meewerkt aan het contact met haar kinderen. De vader en de opa steunen het verzoek van de gecertificeerde instelling en vinden de voorgestelde regeling duidelijk en in het belang van de kinderen.
De kinderrechter oordeelt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die een aanpassing van de zorgregeling rechtvaardigen. De regeling wordt gewijzigd zodat de kinderen de moeder één keer per drie weken op zaterdag bij de opa zien, met mogelijkheid tot uitbreiding bij positieve ervaringen. De gecertificeerde instelling krijgt de regie over de invulling en begeleiding van het contact. De beschikking is direct uitvoerbaar en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.