ECLI:NL:RBDHA:2025:22914

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
NL25.48235
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsdocument EU/EER

Verzoekster, van Surinaamse nationaliteit, heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER. De minister heeft dit bezwaar ongegrond verklaard in een besluit van 12 september 2025. Verzoekster vroeg daarop om een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van dit besluit op te schorten, zodat zij en haar minderjarige kinderen niet worden uitgezet en hun bijstandsuitkering en ziektekostenverzekering kunnen worden voortgezet.

Eerder was al een voorlopige voorziening toegewezen die uitzetting tijdens de bezwaarprocedure verbood. Na het besluit op bezwaar vroeg verzoekster opnieuw om een voorlopige voorziening in afwachting van het beroep tegen het bestreden besluit. Aanvankelijk verzette de minister zich hiertegen, maar trok dit verzet later in vanwege het spoedeisende belang van verzoekster.

De voorzieningenrechter besloot zonder zitting en wees het verzoek toe. Het bestreden besluit wordt geschorst tot vier weken na de uitspraak op het beroep, waardoor verzoekster niet mag worden uitgezet gedurende deze periode. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €907 aan verzoekster of haar gemachtigde.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot vier weken na uitspraak op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.48235
[V-Nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], geboren op [geboortedatum 1] 1991, van Surinaamse nationaliteit, verzoekster,
mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2014,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 2023,
(gemachtigde: mr. S.J. van der Woude),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster om de rechtsgevolgen op te schorten van het besluit van 12 september 2025. In dit besluit is het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van het arrest Chavez-Vilchez [1] ongegrond verklaard. Hiermee beoogt verzoekster het voortzetten van de opvang van haar en haar kinderen, van de bijstandsuitkering en van de ziektekostenverzekering.
1.1.
De minister heeft met het primaire besluit van 8 maart 2024 de aanvraag afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar ingediend en hangende dit bezwaar verzocht om een voorlopige voorziening. Deze voorlopige voorziening is met uitspraak van 8 januari 2025 toegewezen inhoudende dat verzoekster niet uitgezet mag worden totdat op het bezwaarschrift is beslist. [2] Op 2 mei 2025 heeft verzoekster beroep [3] ingediend wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag. [4] Met het besluit van 12 september 2025 heeft de minister het bezwaar alsnog op het bezwaar beslist en dit ongegrond verklaard. Verzoekster heeft daarom verzocht om bovenstaande voorlopige voorziening hangende dit beroep.
1.2.
De minister heeft op 14 oktober 2025 aangegeven zich te verzetten tegen toewijzing van deze voorlopige voorziening. Op 27 oktober 2025 heeft de minister aangegeven zich niet langer te verzetten tegen toewijzing van het verzoek, omdat de minister van mening is dat het spoedeisende belang van verzoekster zwaarder weegt dan het belang van de minister bij haar spoedige verwijdering uit Nederland.
1.3.
Met toestemming van partijen zal de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Overwegingen

2. Verzoekster is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
3. Bij brief van 27 oktober 2025 heeft de minister de voorzieningenrechter laten weten zich niet langer te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.
4. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening treffen dat het bestreden besluit wordt geschorst tot vier weken nadat op het beroepschrift is beslist en dat de minister verzoekster dus niet mag uitzetten gedurende deze periode.
5. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoekster een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift). Die punt heeft een waarde van € 907,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 907,-. Als aan verzoekster een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de gemachtigde van verzoekster.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- schorst het bestreden besluit tot vier weken na de uitspraak op het beroep;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Het arrest van het Europees Hof van Justitie 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
2.NL24.49963.
3.NL25.20710.
4.Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene Wet bestuursrecht ook betrekking op het bestreden besluit.