ECLI:NL:RBDHA:2025:22915

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
AWB 24/2532
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45b VwArt. 26 VwArt. 7:3 AwbArt. 8 VwArt. 4 Richtlijn 2003/109/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen wegens verblijfsgat

Eiser, een Oekraïense nationaliteit dragende vreemdeling, heeft een aanvraag ingediend voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Deze aanvraag is afgewezen door de minister van Asiel en Migratie omdat eiser niet voldeed aan het vereiste van vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf. Er is een verblijfsgat vastgesteld tussen 19 augustus 2022 en 24 augustus 2022, doordat de aanvraag voor verblijf als kennismigrant pas op 24 augustus 2022 door verweerder is ontvangen.

Eiser voerde aan dat de aanvraag al op 16 augustus 2022 was verzonden en dat het evenredigheidsbeginsel en de hoorplicht waren geschonden. De rechtbank oordeelde dat voor de vaststelling van rechtmatig verblijf de datum van ontvangst van de aanvraag doorslaggevend is en dat het verzendbewijs onvoldoende bewijs biedt dat de aanvraag eerder was ontvangen. Tevens oordeelde de rechtbank dat de gevolgen van het verblijfsgat niet zo onevenredig zijn dat de vergunning alsnog verleend had moeten worden.

Ten aanzien van de hoorplicht stelde de rechtbank vast dat verweerder terecht heeft afgezien van het horen van eiser in de bezwaarfase, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag bleef in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/2532
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. W. Hoebba),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Franca).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 19 oktober 2023 afgewezen. Hierin is ook bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Met het bestreden besluit van
1 februari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M.M.S.J. van Kaam als tolk in de taal Engels, en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

3. Eiser is geboren op [geboortedag] 1998 en heeft de Oekraïense nationaliteit. Hij had van 19 augustus 2015 tot 19 augustus 2021 een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘studie hoger onderwijs’. Van 19 augustus 2021 tot 19 augustus 2022 had hij een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘zoekjaar hoogopgeleide’. Vervolgens heeft hij in augustus 2022 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid als kennismigrant’. Deze aanvraag is ingewilligd per 12 december 2022, omdat hij vanaf dat moment voldeed aan de voorwaarden. Vanaf die datum was zijn werkgever namelijk aangemerkt als erkend referent.
3.1
Op 20 september 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een ‘EU- verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’, dan wel een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Deze aanvraag is afgewezen in het primaire besluit, en later ook in het bestreden besluit.
3.2.
Eiser is het niet eens met deze beslissing en heeft beroep ingesteld. Het gaat hem (inmiddels) niet meer over de afwijzing van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. De rechtbank zal zich dus alleen richten op de afwijzing van de verblijfsvergunning EU-langdurig ingezetenen.
Wat heeft verweerder besloten?
4. Verweerder heeft de aanvraag zoals gezegd afgewezen. Kort gezegd meent verweerder dat eiser niet voldoet aan het vereiste van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf. Dat is als volgt toegelicht.
4.1
Gebleken is dat eiser in de periode van 19 augustus 2022 tot 12 december 2022 niet in het bezit is geweest van een geldige verblijfsvergunning. Eiser was tot
19 augustus 2022 in het bezit van een verblijfsvergunning onder de beperking 'zoekjaar hoogopgeleiden'. Vervolgens heeft eiser op 24 augustus 2022 een nieuwe aanvraag ingediend voor verblijf als kennismigrant. Deze aanvraag is ingewilligd met ingang van
12 december 2022, omdat eiser per die datum aan alle voorwaarden voldeed. Dat betekent dat eiser in de periode van 24 augustus 2022 tot 12 december 2022 in de procedure is geweest. Er is daarom sprake van zogenaamd 'formeel beperkt' verblijfsrecht. Dit vanwege het feit dat er aan eiser een verblijfsvergunning is verleend met ingang van
12 december 2022. Deze tijd van formeel beperkt verblijfsrecht telt niet mee in de beoordeling of eiser vijf jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning van niet-tijdelijke aard, maar deze periode stuit de opbouw niet. In dit geval doet dit volgens verweerder echter niet ter zake. Er is namelijk nog steeds sprake van een onderbreking in het verblijfsrecht tussen 19 augustus 2022 en 24 augustus 2022, de datum van het indienen van de nieuwe aanvraag door eiser. Dit betekent dat eiser niet op het moment van beslissen, noch op het moment van de aanvraag, beschikt over vijf jaar onafgebroken verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard. Dat de aanvraag, zoals eiser zegt, op 16 augustus 2022 is ingediend, is niet juist. Dit is ook bevestigd in de e-mail van 9 november 2022 waarin verweerder aangeeft dat de legeskosten nog niet zijn betaald.
4.2
Eiser voldoet dus niet aan de voorwaarde met betrekking tot de verblijfsduur in Nederland. Er is geen aanleiding wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels en zijn aanvraag in te willigen. Ook zijn er geen bijzondere omstandigheden aangevoerd en dergelijke omstandigheden zijn verweerder ook niet bekend.
Wat zijn de regels?
5. Op grond van artikel 45b, tweede en derde lid, van de Vw [1] , wordt de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen afgewezen indien de vreemdeling niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van Pro de Vw heeft gehad. Voor de berekening van deze periode wordt verblijf op grond van een tijdelijke aard niet meegeteld, met uitzondering van verblijf voor studie of beroepsopleiding. Dat wordt voor de helft meegeteld. Dit volgt eveneens uit artikel 4 van Pro de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (hierna: de Richtlijn).
Beoordeling aanvraag EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen
6. Voor de beoordeling van de EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen geldt dat sprake moet zijn van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van Pro de Vw. [2] Ook perioden van formeel beperkt verblijfsrecht worden aangemerkt als rechtmatig verblijf zodat deze perioden – anders dan bij de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd – geen verblijfsgat opleveren.
6.1.
De vraag ligt vervolgens voor hoe het dan zit met de periode van 19 augustus 2022 tot 24 augustus 2022. Eiser stelt dat hij op 16 augustus 2022, dus tijdig, een aanvraag heeft ingediend, terwijl verweerder stelt dat de aanvraag is ontvangen op 24 augustus 2022. Eiser meent dat moet worden uitgegaan van de datum van verzending en verweerder meent dat het gaat om de datum van ontvangst.
In artikel 26 van Pro de Vw is neergelegd dat de verblijfsvergunning als hoofdregel ingaat op de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voor de verkrijging van de desbetreffende verblijfsvergunning voldoet. Die dag kan echter niet liggen vóór de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Anders dan de gemachtigde van eiser stelt, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om aan te sluiten bij de datum dagtekening van de aanvraag. Gelet op de bewoordingen van artikel 26 van Pro de Vw dient, naar het oordeel van de rechtbank, juist aan te worden gesloten bij de datum ontvangst. Immers kan geen rechtmatig verblijf worden verkregen voor datum ontvangst.
6.2.
Eiser heeft een verzendbewijs, in het Pools, overgelegd. Nog daargelaten dat er geen vertaling is overgelegd, heeft de rechtbank op zitting samen met partijen en met behulp van Google Translate nog wel het volgende vastgesteld. Uit het verzendbewijs blijkt alleen dat de aanvraag op 16 augustus 2022 is verzonden en op 22 augustus 2022 bij een GLS filiaal is beland. Daaruit kan de rechtbank dus niet opmaken dat de aanvraag al op
16 augustus 2022, of in ieder geval voor 19 augustus 2022 – de datum dat zijn verblijfsvergunning zoekjaar hoogopgeleide afliep – door verweerder is ontvangen.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder het evenredigheidsbeginsel geschonden?
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat het besluit van verweerder in elk geval in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Eiser heeft de Oekraïense nationaliteit en kan vanwege de oorlogssituatie in Oekraïne niet terug naar dat land. Hij woont en werkt al geruime tijd in Nederland en heeft sterke banden met Nederland. Een sterker verblijfsrecht in Nederland geeft eiser meer rechten en zekerheden. Hij heeft dan meer mogelijkheden om zich blijvend in Nederland te vestigen. Het door verweerder vastgestelde verblijfsgat heeft onevenredige gevolgen voor eiser.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet terug naar Oekraïne hoeft, omdat hij een verblijfsvergunning arbeid als kennismigrant heeft tot in ieder geval 4 maart 2029. De rechtbank begrijpt eisers wens om te naturaliseren en gebruik te willen maken van het stemrecht. Maar de rechtbank is het met verweerder eens dat de gevolgen niet zo onevenredig zijn gebleken dat verweerder de vergunning had moeten verlenen. Het is niet blijvend onmogelijk om een nieuwe aanvraag in te dienen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de hoorplicht geschonden?
8. Eiser stelt dat ten onrechte is afgezien van het horen van eiser in de bezwaarfase. Verweerder had het bezwaar niet kennelijk ongegrond mogen verklaren. Er was voldoende aanleiding om te horen.
8.1.
Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is het uitgangspunt dat verweerder een vreemdeling in bezwaar hoort en dat verweerder terughoudend moet omgaan met de uitzonderingen op deze hoorplicht. [3] Verweerder mag op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb [4] slechts van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dit is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De beslissing om op grond van deze bepaling af te zien van het horen, moet worden genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd, bezien in samenhang met de overwegingen in het primaire besluit.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen afzien van het horen in bezwaar, omdat uit het bezwaarschrift zelf meteen duidelijk is dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Eiser heeft immers geen stukken ingediend waaruit blijkt dat de aanvraag voor een verblijfsvergunning als kennismigrant voor 19 augustus 2022 door verweerder is ontvangen. Het meesturen van de ingediende aanvraag met datum ondertekening 16 augustus 2025 is niet voldoende.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie artikel 45b, tweede lid, onder a, van de Vw.
3.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
4.Algemene wet bestuursrecht.