3.1.Op 30 juli 2025 is, in het kader van laatstgenoemde aanvraag, in het paspoort van verzoekster een verblijfssticker geplaatst met de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid wel toegestaan, tewerkstellingsvergunning wel vereist’. Verzoekster heeft hiertegen op 27 augustus 2025 bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
4. Verzoekster is het niet eens met de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid wel toegestaan, tewerkstellingsvergunning wel vereist’. Volgens haar had een verblijfssticker met de arbeidsmarktaantekening ’Arbeid als zelfstandige toegestaan, arbeid in loondienst
alleen toegestaan met TWV’ moeten worden afgegeven. Verzoekster stelt dat het spoedeisend belang gelegen is in het feit dat het haar nu niet is toegestaan te werken als zelfstandige zonder TWV en dat zij zo spoedig mogelijk weer aan het werk wil gaan om de opdrachten die zij heeft aangenomen, daadwerkelijk te kunnen uitvoeren. Daarnaast stelt verzoekster zich op het standpunt dat het bezwaar redelijke kans van slagen heeft. Verzoekster stelt zich vervolgens op het standpunt dat de belangen van haar om te kunnen doorwerken zeer zwaar wegen. Als zij niet mag werken als zelfstandige en haar opdrachten niet kunnen plaatsvinden, kan zij niet aan de voorwaarden voldoen voor de
verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandig kunstenaar en zal er sprake zijn van materiële en immateriële schade.
Standpunt van de minister
5. De minister verzet zich tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. De minister stelt zich op het standpunt dat aan verzoekster hangende haar verblijfsprocedure op juiste gronden een verblijfssticker is afgegeven met de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid wel toegestaan, tewerkstellingsvergunning wel vereist’. Verder merkt de minister in het licht van de door verzoekster gestelde onevenredige uitkomst op dat van onevenwichtigheid en onnodig nadelige gevolgen naar aanleiding van de aan haar verleende arbeidsmarktaantekening naar de mening van de minister geen sprake is. Hierbij is nog van belang dat het verzoekster niet is verboden om arbeid te verrichten, alleen moeten haar opdrachtgevers dan wel over een TWV beschikken. Gesteld noch gebleken is dat verzoekster op enig moment met (één van) haar opdrachtgevers de mogelijkheid heeft besproken om een TWV aan te vragen.
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er wel sprake is van spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Het spoedeisend belang is door verweerder niet betwist. De voorzieningenrechter acht het ook aannemelijk dat eiseres als zelfstandige kunstenaar zonder twv gelet op de kortlopende opdrachten en contracten niet kan werken en ziet hierin een spoedeisend belang.
8. Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrecht is van oordeel dat het bezwaar van verzoekster redelijke kans van slagen heeft. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 22 maart 2024en neemt deze overwegingen over tot de zijne.
9. Ook is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoekster zwaarder wegen dan het belang van de minister bij afwijzing van het verzoek. Aan de kant van verzoekster ziet de voorzieningenrechter het belang dat verzoekster geen opdrachten kan uitvoeren als er een twv van haar verlangd wordt, wat inkomstenverlies betekent en dus materiële schade en eventueel ook immateriële schade. Daarnaast kan het niet verrichten van opdrachten haar ook schade in de verblijfsprocedure opleveren bij de aanvraag zelf en de eventuele verlenging van haar verblijfsvergunning, nu voor dat laatste ook gekeken wordt naar de termijn waarbinnen de opdrachten zijn uitgevoerd. Daartegenover ziet de voorzieningenrechter één belang aan de kant van de minister. Het voorkomen dat iemand in Nederland werkt zonder twv, terwijl dat wel volgens de wet vereist is in deze aanvraagsituatie. De minister hecht veel waarde aan dit belang, wat de voorzieningenrechter begrijpt. Toch wordt dit begrip van de voorzieningenrechter nader ingekleurd door het feit dat verzoekster toen zij nog beschikte over een zoekjaarvergunning wel als zelfstandige zonder tewerkstellingsvergunning mocht werken. Het belang van vasthouden aan de eis van een tewerkstellingsvergunning boet daarmee volgens de voorzieningenrechter aan waarde in. Als de belangen vervolgens naast elkaar gewogen worden dan is het belang van verzoekster groter dan het belang van de minister.
10. Ook maakt de situatie dat het in deze zaak gaat om iemand die, zoals de minister heeft opgemerkt op de zitting, niet direct na het verlopen van de zoekjaarvergunning een aanvraag heeft gedaan voor arbeid als zelfstandige, het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. De gemachtigden van verzoekster hebben bovendien aangegeven dat er persoonlijke nare omstandigheden waren die voor de late aanvraag hebben gezorgd.