Eiser, langdurig ingezetene in Italië, voert sinds 2020 een eenmanszaak in schoonmaak, bouwsloop en horeca. Hij vroeg een verblijfsvergunning aan voor zelfstandige arbeid, maar de minister wees dit af omdat eiser niet zou aantonen dat zijn werkzaamheden als zelfstandige konden worden aangemerkt.
De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden, mede omdat de minister te veel nadruk legde op het ondernemingsplan en onvoldoende aandacht gaf aan de feitelijke inkomsten en zelfstandigheid van eiser.
Eiser werkte in drie jaar voor verschillende opdrachtgevers, voerde zelfstandige werkzaamheden uit, droeg ondernemersrisico en werd betaald op uurbasis. Ondanks gebrekkige administratie, die deels aan eiser kan worden toegerekend, mocht hij erop vertrouwen dat zijn administratie correct werd gevoerd.
De rechtbank volgt de minister niet in diens standpunt dat eiser niet als zelfstandige kan worden aangemerkt en vernietigt het bestreden besluit. De minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen, het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden, en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.