ECLI:NL:RBDHA:2025:22931
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag van Marokkaanse eiser wegens ongeloofwaardigheid van asielmotieven en te late indiening
In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag het beroep van een Marokkaanse eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser, geboren in 1990, diende op 19 juli 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister op 19 augustus 2025 als ongegrond werd afgewezen. De rechtbank behandelt het beroep op 10 november 2025, waarbij de gemachtigde van de minister aanwezig is, maar eiser en zijn gemachtigden niet verschijnen.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is. Eiser stelt dat hij is gevlucht vanwege bedreigingen door de vader van een minderjarig meisje met wie hij een relatie had, en omdat hij geen werk had in Marokko. De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig, maar het tweede niet, omdat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd en zijn verklaringen onsamenhangend zijn. De rechtbank volgt de minister in zijn oordeel dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is, en dat eiser geen verschoonbare reden heeft voor het ontbreken van documenten ter onderbouwing van zijn relaas.
De rechtbank wijst erop dat eiser zijn aanvraag te laat heeft ingediend, buiten de termijn van 48 uur, en dat hij geen gegronde redenen heeft gegeven voor deze vertraging. Eiser krijgt een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 0 dagen en een inreisverbod van twee jaar opgelegd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst erop dat eiser geen recht heeft op vergoeding van proceskosten.