ECLI:NL:RBDHA:2025:22932
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing afwijzing mvv-aanvraag op grond van artikel 8 EVRM en belangen van minderjarige kinderen
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn minderjarige neven in Nederland te verblijven. De minister wees deze aanvraag af omdat eiser de familierechtelijke relatie niet zou hebben aangetoond en het belang van een restrictief toelatingsbeleid zwaarder zou wegen dan het belang van eiser.
De rechtbank constateert dat de minister aanneemt dat er hechte persoonlijke banden bestaan tussen eiser en de kinderen, maar dat de belangen van de kinderen onvoldoende in kaart zijn gebracht en onvoldoende zijn meegewogen in de belangenafweging. De minister heeft onder meer niet betrokken dat de kinderen eiser als vaderfiguur zien en dat zij psychische schade ondervinden door zijn afwezigheid.
De rechtbank oordeelt dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, met name ten aanzien van de rol van eiser als verzorger en de impact op de kinderen. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de aanwijzingen van de rechtbank.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen waarbij de belangen van de kinderen adequaat worden meegewogen.