ECLI:NL:RBDHA:2025:22932

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
NL24.40790
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing afwijzing mvv-aanvraag op grond van artikel 8 EVRM en belangen van minderjarige kinderen

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn minderjarige neven in Nederland te verblijven. De minister wees deze aanvraag af omdat eiser de familierechtelijke relatie niet zou hebben aangetoond en het belang van een restrictief toelatingsbeleid zwaarder zou wegen dan het belang van eiser.

De rechtbank constateert dat de minister aanneemt dat er hechte persoonlijke banden bestaan tussen eiser en de kinderen, maar dat de belangen van de kinderen onvoldoende in kaart zijn gebracht en onvoldoende zijn meegewogen in de belangenafweging. De minister heeft onder meer niet betrokken dat de kinderen eiser als vaderfiguur zien en dat zij psychische schade ondervinden door zijn afwezigheid.

De rechtbank oordeelt dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, met name ten aanzien van de rol van eiser als verzorger en de impact op de kinderen. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de aanwijzingen van de rechtbank.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen waarbij de belangen van de kinderen adequaat worden meegewogen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.40790
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , de minister
(gemachtigde: mr. Y. Verheugd).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een mvv [2] voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’.
1.1.
In het besluit van 12 december 2023 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser afgewezen. In het besluit van 24 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers gemachtigde, [naam zus] (de gestelde zus van eiser) en de gemachtigde van de minister. Voorafgaand aan de zitting hebben de gestelde minderjarige neven van eiser, [neef 1] en [neef 2] , door middel van een kindgesprek met de rechter en griffier die de zaak behandelen de gelegenheid gekregen om hun mening kenbaar te maken over deze procedure. De inhoud van dat kindgesprek is op de zitting met partijen besproken.
1.4.
De rechtbank heeft voor [neef 1] en [neef 2] een aparte terugkoppeling van de beslissing gemaakt. Deze terugkoppeling, in de vorm van een samenvatting, is als bijlage aan deze uitspraak gehecht en maakt onderdeel uit van deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
2. Eiser is de gestelde broer van [naam zus] ( [naam zus] ). [naam zus] heeft op 1 december 2015 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verkregen. Zij heeft vervolgens een nareisaanvraag gedaan om haar kinderen [neef 3] , [neef 1] en [neef 2] [3] naar Nederland over te komen. Deze aanvragen zijn door de minister ingewilligd. [neef 3] , [neef 1] en [neef 2] hebben inmiddels de Nederlandse nationaliteit verkregen. [naam zus] heeft ook een nareisaanvraag ingediend ten behoeve van eiser. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 1 september 2017, gehandhaafd bij besluit van 18 juni 2018, afgewezen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep van eiser tegen het besluit van 18 juni 2018 bij uitspraak van 6 november 2018 [4] ongegrond verklaard. Dit besluit is daarmee in rechte vast komen te staan.
2.1.
Eiser heeft op 20 mei 2023 een aanvraag ingediend voor een mvv, waarmee hij beoogt verblijf bij [neef 3] , [neef 1] en [neef 2] te verkrijgen.
Besluitvorming
3. De minister heeft deze aanvraag in het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, afgewezen. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser de familierechtelijke relatie met [neef 3] , [neef 1] en [neef 2] niet heeft aangetoond. De minister heeft geen aanleiding gezien om aan eiser een DNA-onderzoek aan te bieden, omdat dit niet tot een ander besluit zou kunnen leiden. Ook als de familierechtelijke relatie tussen eiser en de kinderen zou worden aangenomen, verplicht artikel 8 van Pro het EVRM [5] namelijk niet tot afgifte van de gevraagde mvv. De belangenafweging valt namelijk in het nadeel van eiser uit. Het belang van een restrictief toelatingsbeleid weegt in een geval als dit, waar het gaat om een eerste toelating en waarbij de vreemdeling niet tot het kerngezin behoort, zwaarder dan het belang van eiser om met de kinderen samen te kunnen wonen. De primaire verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van de kinderen ligt bij de moeder. Dat eiser hen heeft verzorgd, is slechts een tijdelijke noodoplossing geweest omdat hun moeder naar Nederland was gevlucht. Verder is gebleken dat [neef 1] voor zijn psychische problemen toegang heeft tot professionele ondersteuning en therapie. De minister heeft zich ook op het standpunt gesteld dat het feit dat [neef 2] als referent niet over middelen van bestaan beschikt om eiser te onderhouden minder zwaar meeweegt, omdat [neef 2] nog minderjarig is. Maar de minister mag dit wel ten nadele meewegen, omdat het zeer waarschijnlijk is dat eiser een beroep zal doen op de algemene middelen als hij zich in Nederland zal vestigen. De minister meent verder dat eiser het familieleven met de kinderen ook elders kan uitoefenen. Nu eiser inmiddels een verblijfsvergunning in Canada heeft verkregen, is er namelijk geen sprake meer van een objectieve belemmering. De minister concludeert dat het belang van de Nederlandse samenleving gelet op deze omstandigheden zwaarder weegt dan het belang van eiser bij het verkrijgen van een verblijfsvergunning. De minister is daarom niet gehouden aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. De minister meent daarnaast dat eiser ook niet in aanmerking komt voor een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez [6] . Eiser is namelijk nooit de verzorgende ouder van een Nederlands kind geweest.
Hechte persoonlijke banden
4. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit niet eenduidig is over de vraag of de minister aanneemt dat er hechte persoonlijke banden tussen eiser en de kinderen bestaan. In het besluit staat namelijk dat in dit geval geen hechte persoonlijke banden worden aangenomen [7] , maar verderop in het besluit staat juist dat er wél wordt aangenomen dat er sprake is van hechte persoonlijke banden. [8] De minister heeft desgevraagd op zitting verklaard dat wordt aangenomen dat er tussen eiser en de kinderen sprake is van hechte persoonlijke banden. Dit is dus niet (langer) in geschil. De rechtbank zal de beroepsgronden van eiser voor zover die zien op het bestaan van hechte persoonlijke banden daarom niet bespreken.
Belangenafweging
Standpunt eiser
5. Eiser meent dat het standpunt van de minister dat hij de kinderen slechts als tijdelijke noodoplossing heeft verzorgd te kort door de bocht is en dat de minister de belangen van de kinderen onvoldoende heeft meegewogen. Eiser heeft de kinderen na het vertrek van hun moeder opgevoed en verzorgd terwijl zij in Ethiopië wachtten op gezinshereniging van hun moeder. Hoewel de verzorging van de kinderen door eiser is veroorzaakt door een noodsituatie, wil dat niet zeggen dat de kinderen zeer aan hem gehecht zijn geraakt en hem zien als een vaderfiguur. De kinderen, [neef 1] in het bijzonder, ondervinden nog steeds psychische schade en lijden door de scheiding van eiser. [neef 1] heeft nog steeds dagelijks medicatie nodig en denkt dat zijn problemen over zouden gaan als hij zijn oom niet zou hoeven missen. De minister heeft onvoldoende gewicht toegekend aan de psychische klachten van [neef 1] en het belang van de aanwezigheid van eiser voor de ontwikkeling van de kinderen. Met zijn standpunt dat er geen objectieve belemmering meer bestaat om het familieleven elders uit te oefenen, erkent de minister volgens eiser feitelijk dat het in het belang is van de kinderen om samen te kunnen leven met eiser, maar dat dit elders kan. De minister ondermijnt met dit standpunt het recht van de kinderen om hun Unieburgerschap uit te oefenen. Ook meent eiser dat hij als verzorger dan wel pleegouder van de kinderen een verblijfsrecht toekomt op grond van het arrest Chavez-Vilchez.
Het oordeel van de rechtbank
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat er geen objectieve belemmering is om het familieleven buiten Nederland uit te oefenen. In bezwaar is namelijk gebleken dat eiser een verblijfsvergunning in Canada heeft verkregen. De minister heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat eiser het familieleven met de kinderen ook in Canada zou kunnen uitoefenen. Dat dit volgens eiser niet van de kinderen verlangd zou kunnen worden omdat dit feitelijk zou betekenen dat zij hun rechten als Unieburger niet meer kunnen uitoefenen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister het ontbreken van een objectieve belemmering niet heeft kunnen tegenwerpen. Het gaat er bij de vraag of sprake is van een objectieve belemmering namelijk om of er omstandigheden gelegen in het land van herkomst zijn die het onmogelijk maken om in het land van herkomst te verblijven. Het feit dat de kinderen Unieburger zijn, is niet een dergelijke omstandigheid.
5.2.
De rechtbank volgt eiser wel in zijn stelling dat de minister de belangen van de kinderen onvoldoende in kaart heeft gebracht en deze in de belangenafweging onvoldoende heeft meegewogen. De minister heeft in het bestreden besluit overwogen dat [neef 1] in Nederland toegang heeft tot professionele ondersteuning en therapie voor zijn mentale problematiek en dat de kinderen tijdens de hoorzitting [9] hebben verklaard dat het goed gaat, dat zij het fijn hebben op school en dat zij vrienden hebben. De minister heeft in de besluitvorming echter niet betrokken dat de kinderen tijdens deze hoorzitting ook hebben verklaard dat eiser de rol van vader op zich had genomen en dat zij het moeilijk hebben door het gemis van eiser. Verder bevinden zich in het dossier evaluaties van de speltherapie ten aanzien van de kinderen van de vereniging [naam] , alsook verklaringen van de mentoren van [neef 1] en [neef 2] . De rechtbank stelt vast dat de inhoud van deze stukken niet kenbaar in de belangenafweging is betrokken. Hierin staat onder meer dat eiser de kinderen in Ethiopië heeft verzorgd en opgevoed, dat zij met elkaar traumatische ervaringen hebben beleefd, dat zij eiser als een vaderfiguur zijn gaan zien, dat zij eiser erg missen en dat zij boos waren op hun moeder toen bleek dat eiser niet met hen meeging naar Nederland. Door de voorgaande verklaringen en stukken niet kenbaar in zijn besluitvorming te betrekken, heeft de minister zich onvoldoende rekenschap gegeven van wat door eiser en de kinderen naar voren is gebracht over hun onderlinge band, de impact van het achterblijven van eiser in Ethiopië op de kinderen en hun belangen om het familieleven weer fysiek met elkaar uit te oefenen. Het bestreden besluit is op dit punt dan ook onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
5.3.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister niet zonder nadere motivering heeft kunnen volstaan met de conclusie dat de verzorging van de kinderen door eiser slechts een tijdelijke noodoplossing is geweest en dat de moeder altijd de primaire verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging heeft gehad. De rechtbank acht deze motivering niet begrijpelijk in het licht van dat wat de kinderen naar voren hebben gebracht over de rol die eiser bij de verzorging en opvoeding van de kinderen heeft gespeeld nadat de moeder van de kinderen uit Nederland was vertrokken. De enkele omstandigheden dat de verzorgende rol van eiser uit nood is ontstaan en dat de moeder van de kinderen later de zorg van de kinderen weer op zich heeft genomen, betekenen immers niet zonder meer dat er geen sterke banden tussen eiser en de kinderen kunnen bestaan. Ook op dit punt heeft de minister het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

6. Het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De overige gronden behoeven geen bespreking meer. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Indien de minister ervoor kiest om eiser te horen, bedraagt deze termijn tien weken.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-, en een wegingsfactor 1).
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de minister aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, of in het geval de minister besluit eiser in bezwaar te horen, binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden;
-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.W. Victoor, griffier.

BIJLAGE – Samenvatting van de uitspraak voor [neef 1]

Beste [neef 1] ,
Op 2 oktober 2025 hebben wij elkaar gesproken bij de rechtbank. Je hebt mij verteld dat je je oom erg mist en veel aan hem denkt. Jullie zijn jaren samen geweest en hij zorgde voor jou, en je broer en zus. Je wilt graag dat hij naar Nederland komt, dat hij kan gaan werken en dat jullie weer samen zijn. Jullie praten er thuis ook over; het houdt jullie als gezin allemaal bezig.
Aan het eind van ons gesprek hebben we samen afgesproken wat ik uit ons gesprek mocht vertellen op de rechtszitting. Ook hebben we toen samen afgesproken dat ik jou zou laten weten wat mijn beslissing zou zijn. Daarom schrijf ik je nu deze brief.
Vlak na ons gesprek was de zitting. Daar heb ik gepraat met je moeder en haar advocaat. Ik heb ook gepraat met de meneer die namens de minister van Asiel en Migratie kwam. Na de zitting heb ik nagedacht over mijn beslissing.
Ik heb besloten dat de minister beter naar de situatie van je oom moet kijken. Beter naar de band die hij met jou heeft en wat het voor jou betekent om zonder zijn aanwezigheid te leven. De minister moet nog een keer goed kijken naar jullie situatie en een nieuwe beslissing nemen. De minister moet dan rekening houden met mijn aanwijzingen.
Mijn beslissing betekent niet dat je oom nu naar Nederland mag komen. De minister moet eerst opnieuw naar de situatie kijken en opnieuw een beslissing nemen. Ik heb de minister daarvoor een termijn van zes weken gegeven. Het is de bedoeling dat jullie binnen deze termijn een nieuw besluit krijgen.
Als jouw familie of de minister het niet eens is met mijn beslissing, dan kan die binnen vier weken in hoger beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat is een hogere rechter, die dan nog eens naar de situatie gaat kijken. Als er geen hoger beroep komt, dan is de rechterlijke procedure na mijn beslissing klaar en moet de minister een nieuw besluit nemen.
Ik vind het heel goed van je dat je bij me langs bent gekomen om mij te vertellen wat jij ervan vindt. Ik hoop dat het zo duidelijk is wat ik heb beslist, en waarom ik deze beslissing heb genomen. Verder ben ik blij dat het de afgelopen tijd ietsje beter met je ging en hoop ik dat dat zo blijft.
Groetjes,
De rechter.

BIJLAGE – Samenvatting van de uitspraak voor [neef 2]

Beste [neef 2] ,
Op 2 oktober 2025 hebben wij elkaar gesproken bij de rechtbank. Je hebt mij verteld dat je graag wilt dat je oom naar Nederland komt. Je dacht ook dat dat zou gebeuren toen je moeder jou, en je broer en zus, kwam halen. Toen duidelijk werd dat je oom niet mee kwam, vond je dat heel moeilijk en maakte het je verdrietig. Hier in Nederland mis je hem, je denkt veel aan hem. Het zou jou helpen als hij zou mogen komen, want dat hoef je je geen zorgen te maken. Je belt ook veel met hem en vertelt hem dat hij hoop moet houden.
Aan het eind van ons gesprek hebben we samen afgesproken wat ik uit ons gesprek mocht vertellen op de rechtszitting. Ook hebben we toen samen afgesproken dat ik jou zou laten weten wat mijn beslissing zou zijn. Daarom schrijf ik je nu deze brief.
Vlak na ons gesprek was de zitting. Daar heb ik gepraat met je moeder en haar advocaat. Ik heb ook gepraat met de meneer die namens de minister van Asiel en Migratie kwam. Na de zitting heb ik nagedacht over mijn beslissing.
Ik heb besloten dat de minister beter naar de situatie van je oom moet kijken. Beter naar de band die hij met jou heeft en wat het voor jou betekent om zonder zijn aanwezigheid te leven. De minister moet daarom nog een keer goed kijken naar jullie situatie en een nieuwe beslissing nemen. De minister moet dan rekening houden met mijn aanwijzingen.
Mijn beslissing betekent niet dat je oom nu naar Nederland mag komen. De minister moet eerst opnieuw naar de situatie kijken en opnieuw een beslissing nemen. Ik heb de minister daarvoor een termijn van zes weken gegeven. Het is de bedoeling dat jullie binnen deze termijn een nieuw besluit krijgen.
Als jouw familie of de minister het niet eens is met mijn beslissing, dan kan die binnen vier weken in hoger beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat is een hogere rechter, die dan nog eens naar de situatie gaat kijken. Als er geen hoger beroep komt, dan is de rechterlijke procedure na mijn beslissing klaar en moet de minister een nieuw besluit nemen.
Ik vind het heel goed van je dat je bij me langs bent gekomen om mij te vertellen wat jij ervan vindt. Ik hoop dat het zo duidelijk is wat ik heb beslist, en waarom ik deze beslissing heb genomen. Verder hoop ik dat het goed met je gaat en dat je je niet al teveel zorgen maakt.
Groetjes,
De rechter.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Machtiging tot voorlopig verblijf.
3.[neef 3] is geboren op [geboortedatum 1] 2006, [neef 1] op [geboortedatum 2] 2009 en [neef 2] op [geboortedatum 3] 2011.
4.Zaaknummer: AWB 18/5231 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 in de zaak C-133/15, ECLI:EU:C:2017:354.
7.Pagina 3, vierde alinea van het bestreden besluit.
8.Pagina 4, derde alinea van het bestreden besluit.
9.Van 10 september 2024.