ECLI:NL:RBDHA:2025:22934

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
NL24.33241
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met het doel 'verblijf als familie- of gezinslid'

In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 16 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 oktober 2024 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld, waarbij de referent, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van de minister en een tolk aanwezig waren.

Eiseres, geboren in 1983 met de Nigeriaanse nationaliteit, wil samen met haar minderjarige zoon, geboren in 2009 en ook Nigeriaans, in Nederland verblijven bij referent, de vader van haar zoon en haar echtgenoot, die in 1970 is geboren en de Nederlandse nationaliteit heeft. De minister heeft de mvv-aanvraag afgewezen omdat niet voldaan is aan het middelenvereiste. Eiseres en referent hebben niet aangetoond dat zij duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan beschikken of dat zij van dit middelenvereiste vrijgesteld zijn. Referent ontvangt een bijstandsuitkering en komt momenteel niet in aanmerking voor vrijstelling van het middelenvereiste.

Eiseres voert aan dat de minister het middelenvereiste ten onrechte heeft tegengeworpen, omdat referent blijvend niet in staat is om aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen vanwege zijn fysieke problemen. De rechtbank oordeelt dat de minister op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat eiseres geen mvv toekomt, omdat referent het middelenvereiste terecht is tegengeworpen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en geen vergoeding van haar proceskosten ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.33241
[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.M. Niemer),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister.

( [gemachtigde verweerder] ).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’.
1.2.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 16 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 oktober 2024 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent ( [naam referent] ), de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van de minister en A. Madu als tolk.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1983 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiseres wil gezamenlijk met haar minderjarig zoon [naam zoon] , geboren op
[geboortedatum 2] 2009 en ook van de Nigeriaanse nationaliteit, verblijf in Nederland bij referent. Referent is geboren op [geboortedatum 3] 1970 en heeft de Nederlandse nationaliteit. De familierechtelijke relatie tussen referent en [naam zoon] is aangetoond. Referent is de vader van [naam zoon] en de echtgenoot van eiseres.
Besluitvorming
3. De minister heeft de mvv-aanvraag afgewezen, omdat niet voldaan is aan het middelenvereiste. Eiseres en referent hebben niet aangetoond dat zij duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan beschikken of dat zij van dit middelenvereiste vrijgesteld zijn. Referent ontvangt namelijk een bijstandsuitkering en komt momenteel niet in aanmerking voor vrijstelling van het middelenvereiste, omdat hij niet volledig is vrijgesteld van de plicht tot arbeidsinschakeling onder de Participatiewet. Ook is het volgens de minister niet aangetoond dat het niet te verwachten is dat referent weer binnen één jaar gedeeltelijk of volledig kan gaan werken. Ten slotte is de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM [1] is in het nadeel van eiseres uitgevallen.
Standpunt eiseres
4.1.
Eiseres voert aan dat de minister het middelenvereiste ten onrechte heeft tegengeworpen, nu voldoende duidelijk is dat referent blijvend niet in staat is om aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen vanwege zijn fysieke problemen. Referent heeft hiertoe stukken van de Gemeente Amsterdam overgelegd, waaruit blijkt dat hij is vrijgesteld van de sollicitatieplicht en dat hij jaarlijks opnieuw wordt gekeurd. Er is geen vooruitzicht op verbetering van de situatie. Referent is sinds 2011 arbeidsongeschikt en er is geen zorg, medicatie of behandeling waardoor hij kan genezen. Eiseres is daarom van oordeel dat de bestreden beschikking van onevenredige hardheid getuigt.
Oordeel van de rechtbank
5.1.
Op grond van artikel 16, eerste lid en onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 3.13, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt het middelenvereiste niet tegengeworpen aan een vreemdeling die blijvend niet in staat is om aan de plicht tot arbeidsinschakeling onder de Participatiewet (Pw) te voldoen. Op grond van het geldende beleid [2] neemt de minister in ieder geval aan dat hiervan sprake is wanneer:
- de referent door B&W vijf jaar volledig ontheven is van de verplichting tot arbeidsinschakeling (de zogenaamde vijfjarentermijn); én
- gedeeltelijke of volledige arbeidsinschakeling van de referent niet binnen één jaar te voorzien is.
5.2.
Niet in geschil is dat referent door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam vijf jaar ontheven is geweest van de sollicitatieplicht, namelijk in 2016, 2017, 2018, 2019, 2020 en 2021. Anders dan referent is de rechtbank met de minister van oordeel dat hij niet voldoet aan het formele vereiste van vijf jaar volledige vrijstelling van de verplichting tot arbeidsinschakeling. Uit de brief van de gemeente Amsterdam van
13 oktober 2022 en 22 februari 2024 volgt namelijk dat referent na medische arbeidsinspectie voor 8 uur belastbaar wordt geacht. Hij is dus niet
volledigontheven van de verplichting tot arbeidsinschakeling. Dat het geen betaalde arbeid betreft, of dat referent op zitting heeft verklaard in de praktijk deze 8 uur niet uit te oefenen, maakt de beoordeling niet anders. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat referent ook niet voldoet aan het tweede formele vereiste, namelijk dat niet valt te voorzien dat hij niet binnen een jaar volledig of deels wordt ingeschakeld. Dit volgt uit de omstandigheid dat referent jaarlijks wordt gekeurd en dat de keuring van 2022 en 2024 tot gevolg heeft gehad dat referent deels arbeidsgeschikt is geacht. De rechtbank leidt hieruit af dat, in tegenstelling tot wat referent betoogt, uit de stukken niet blijkt dat hij blijvend niet in het arbeidsproces kan worden ingeschakeld.
5.3.
De minister is dus op goede gronden tot de conclusie gekomen dat eiseres geen mvv toekomt omdat referent het middelenvereisten terecht is tegengeworpen. Ook de laatste beroepsgrond, dat de minister op grond van de aangevoerde bijzondere omstandigheden toch een mvv had moeten verstrekken, slaagt niet. De minister heeft in de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hoeven zien gebruik te maken van de ruimte in het beleid om in dit individuele geval de vijfjarentermijn niet te hanteren. Dat referent medische problemen heeft en zijn gezin graag bij zich zou hebben in Nederland brengt niet met zich mee dat de gevolgen van de bestreden beslissing onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Europees Verdrag van de Rechten
2.Paragraaf B7/2.1.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).