In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 21 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening in het kader van een asielaanvraag. Verzoekster, die samen met haar minderjarige kind een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had aangevraagd, kreeg te maken met een afwijzing van deze aanvraag door de Minister van Asiel en Migratie. Het bestreden besluit, dat op 26 maart 2025 werd genomen, werd door verzoekster bestreden middels een beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening. De zitting vond plaats op 2 juni 2025, waarbij de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening aanhield in afwachting van aanvullende informatie over Eritrea. Deze informatie werd uiteindelijk openbaar, waardoor de noodzaak voor een nadere zitting verviel.
De voorzieningenrechter heeft op basis van de uitspraak in de bodemzaak, die gelijktijdig werd behandeld, het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Echter, de voorzieningenrechter heeft de Minister wel veroordeeld tot betaling van de proceskosten die verzoekster heeft gemaakt, vastgesteld op €907,00. Dit bedrag is berekend op basis van het Besluit proceskosten, waarbij rekening is gehouden met de rechtsbijstand die door een derde is verleend. De kosten voor het verschijnen ter zitting zijn al vergoed in de beroepsprocedure, waardoor deze niet opnieuw in rekening worden gebracht. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.