Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 9 september 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij stelde dat hij uit zijn dorp was verbannen vanwege zijn relatie met zijn zwangere partner, die samen met het ongeboren kind overleed. Verweerder wees de aanvraag op 18 juli 2025 af als kennelijk ongegrond, waarbij de nationaliteit en herkomst van eiser wel geloofwaardig werden geacht, maar zijn identiteit niet.
Eiser voerde aan dat het ongeloofwaardig was dat zijn nationaliteit werd aangenomen zonder bewijs, terwijl zijn identiteit werd afgewezen. Ook stelde hij dat het niet redelijk was te verwachten dat hij contact zou opnemen met Nigeriaanse autoriteiten voor documenten. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet hoefde te onderbouwen waarom nationaliteit en herkomst geloofwaardig waren, en dat het ongeloofwaardig achten van de identiteit terecht was vanwege het ontbreken van identificerende documenten en vage verklaringen over het paspoort.
Verder concludeerde de rechtbank dat verweerder terecht aannam dat eiser zijn paspoort met opzet had vernietigd of verwijderd, mede omdat hij geen inspanningen had verricht om een nieuw paspoort te verkrijgen ondanks dat hij de Nigeriaanse autoriteiten niet vreest. De rechtbank verwierp het beroep en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af, waarmee de afwijzing van de asielaanvraag en het opleggen van een inreisverbod van twee jaar in stand bleven.