ECLI:NL:RBDHA:2025:22978

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
NL24.38876
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op grond van wedertoelating

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 3 december 2025 wordt de afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op grond van wedertoelating behandeld. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden uit artikel 3.92 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en voert verschillende beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt deze gronden en komt tot de conclusie dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. De rechtbank oordeelt dat de minister geen toepassing hoefde te geven aan het Besluit 1/80, omdat eiser niet opnieuw hoeft te worden toegelaten tot Nederland.

Het procesverloop begint met de afwijzing van de aanvraag door de minister op 19 april 2024, gevolgd door de ongegrondverklaring van het bezwaar op 30 september 2024. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, dat op 14 oktober 2025 is behandeld. De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft gesteld dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor eiser, die 38 jaar in Turkije heeft gewoond. Eiser heeft niet aangetoond dat hij vijf jaar rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, en de rechtbank oordeelt dat de minister voldoende gemotiveerd heeft waarom de aanvraag is afgewezen.

De rechtbank wijst ook de beroepsgrond van eiser af dat hij rechten kan ontlenen aan het Turks associatierecht, omdat hij niet heeft aangetoond dat zijn vader drie jaar als werknemer in Nederland heeft gewerkt. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38876

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. B.J.W. Immink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op grond van wedertoelating. De minister heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden uit artikel 3.92 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven, omdat eiser niet op grond van wedertoelating opnieuw hoeft worden toegelaten tot Nederland. Ook heeft de minister geen toepassing hoeven geven aan het Besluit 1/80.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop van deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf overweging 3. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. De minister heeft de aanvraag van eiser met het besluit van 19 april 2024 afgewezen. Bij besluit van 30 september 2024 (het bestreden besluit) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Het bestreden besluit
3. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor wedertoelating op grond van artikel 3.92 van het Vb 2000. Hierbij is het van belang dat Nederland niet het meest aangewezen land is om te verblijven. Eiser heeft immers 38 jaar in Turkije gewoond. Dit betreft praktisch het hele leven van eiser, omdat hij in Turkije naar school ging, een huwelijk is aangegaan en daar kinderen heeft gekregen. Dat eiser in 1993 een verblijfsvergunning in Nederland heeft aangevraagd, doet daar niet aan af. Het Besluit 1/80 is niet van toepassing op de situatie van eiser, omdat hij Nederland voor een langere tijd zonder gegronde reden heeft verlaten.
Wettelijk kader
4. Op grond van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden verleend aan de meerderjarige vreemdeling die:
a. voor het negentiende levensjaar tien jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft gehad en wiens aanvraag is ontvangen voor het negenentwintigste levensjaar, of
b. voor het negentiende levensjaar vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000, en voor wie Nederland naar het oordeel van verweerder het meest aangewezen land is.
Heeft de minister voldaan aan de hoorplicht?
5. Eiser betoogt dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. Eiser heeft de minister verzocht om een hoorzitting, maar de minister heeft hier ten onrechte van afgezien. Eiser voert aan dat zijn bezwaar meerdere inhoudelijke gronden bevat, zoals de discussie over feitelijke omstandigheden (bijvoorbeeld het eerdere rechtmatig verblijf van eiser en de duur daarvan). Deze omstandigheden had eiser nader kunnen toelichten tijdens een hoorzitting.
5.1.
In artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een bestuursorgaan belanghebbenden in de gelegenheid moet stellen om te worden gehoord voordat op het bezwaar wordt beslist. Van het horen kan alleen om redenen genoemd in artikel 7:3 van de Awb worden afgezien. Eén van die redenen is als er sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar.
5.2.
Op 6 juli 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) een uitspraak gedaan over de hoorplicht in vreemdelingenzaken. [1] Volgens de Afdeling is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het aangevoerde in bezwaar niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is opgenomen. De Afdeling heeft daarbij opgemerkt dat de gronden waarop van horen kan worden afgezien, terughoudend moeten worden toegepast.
5.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van de vaste rechtspraak van de Afdeling, zoals genoemd onder 5.4. Eiser heeft nagelaten zijn bezwaar te motiveren en alleen maar een herhaling van zetten gegeven. In dat geval is evident dat het in bezwaar aangevoerde het primaire besluit redelijkerwijs niet anders kan maken. Om die reden heeft de minister eiser terecht niet uitgenodigd voor een hoorzitting.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom eiser niet heeft aangetoond dat hij vijf jaar rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad?
6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit blijkt dat eiser niet vijf jaar rechtmatig ononderbroken verblijf in Nederland heeft gehad. Eiser is in 1979 in Nederland geboren en heeft toen een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn ouders gekregen die geldig was tot 27 november 1994. Deze vergunning is destijds verleend aan eiser op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Eiser is in 1985 teruggekeerd naar Turkije. Uit het door eiser overgelegde paspoort blijkt volgens eiser dat hij vanaf zijn geboorte in 1979 tot aan zijn vertrek in 1985 in Nederland heeft verbleven. Dit maakt, aldus eiser, dat hij vijf jaar rechtmatig ononderbroken in Nederland heeft verbleven voor zijn negentiende levensjaar. In de aanvullende beroepsgronden van 6 oktober 2025 voert eiser het volgende aan. Uit de afwijzing van de gezinsherenigingsaanvraag van de vader van eiser uit 1993 volgt dat niet enkel is getoetst aan de vereisten voor gezinshereniging, maar ook aan het beleid over wedertoelating. Hierbij is volgens eiser van belang dat de aanvraag destijds niet is afgewezen omdat eiser niet voldeed aan het vereiste van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf. Uit de afwijzing blijkt volgens eiser dan ook dat de Visadienst heeft erkend dat eiser in Nederland is geboren en de eerste zes jaar van zijn leven hier heeft doorgebracht. Eiser betoogt dat de minister niet alsnog aan eiser kan tegenwerpen dat hij niet beschikt over documenten uit zijn periode in Nederland. Dit is immers 40 jaar geleden.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet met objectieve bewijsmiddelen heeft aangetoond dat hij voor zijn negentiende levensjaar ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland. Het rechtmatig verblijf van eiser voor ten minste vijf jaar valt niet af te leiden uit het dossier. Dit geldt ook voor de periode vanaf de geboorte van eiser in 1979, tot het vertrek van eiser in 1985. Het enkele feit dat eiser in 1979 in Nederland is geboren en zich in 1984 heeft gemeld bij de Vreemdelingenpolitie toont dit niet aan. Eiser heeft verder geen enkele onderbouwing gegeven van de stelling dat hij vanaf zijn geboorte tot het vertrek in 1985 rechtmatig verblijf heeft gehad. Dat dit bij de beoordeling van de eerdere aanvraag van eiser niet is tegengeworpen, toont dit ook niet aan.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor eiser?
7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit volgt dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor eiser. Eiser heeft in 1993 een aanvraag voor een verblijfsvergunning in Nederland gedaan. Toen die werd afgewezen door de minister, is eiser terughoudend geweest in het indienen van een nieuwe aanvraag. Omdat eiser altijd heeft willen terugkeren naar Nederland heeft hij uiteindelijk onderhavige aanvraag gedaan. Eiser heeft voor een periode van zes jaar in Nederland verbleven. Eiser is hier geboren en heeft de belangrijkste jaren van zijn ontwikkeling hier doorgebracht. Eiser betoogt dat Nederland om bovenstaande redenen het meest aangewezen land is voor hem. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser ter onderbouwing hiervan gewezen op een uitspraak van het Hof van Justitie van 17 april 1997. [2]
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor eiser. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de minister bij deze beoordeling beoordelingsruimte heeft en dat de rechtbank dit oordeel dus enigszins terughoudend moet toetsen. De minister heeft in het nadeel van eiser mogen meewegen dat eiser op vijf of zesjarige leeftijd uit Nederland is vertrokken naar Turkije en dat hij daar tot op de dag van vandaag, een periode van 40 jaar, heeft gewoond en zijn leven heeft opgebouwd. Dit betekent dat eiser de jaren waarin hij gevormd is, zoals tijdens zijn schooltijd, in Turkije heeft doorgebracht en dat hij de periode waarin hij in Nederland verbleef niet bewust heeft meegemaakt.
Heeft eiser een recht op verblijf op grond van het Turks associatierecht?
8. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het Associatieverdrag. Eiser kan namelijk rechten ontlenen aan artikel 6 of artikel 7 van het Besluit 1/80. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat rechten kunnen worden opgebouwd op grond van artikel 7 van het Besluit 1/80 wanneer de vreemdeling een gezinslid is die zich bij een Turkse werknemer heeft gevoegd en waarmee hij/zij meer dan drie jaar rechtmatig heeft samengewoond. Eiser voert aan dat dit op hem van toepassing is, omdat hij zich bij zijn vader heeft gevoegd, die legaal werknemer was in Nederland, en eiser meer dan drie jaar heeft samengewoond met zijn ouders. Deze rechten zijn niet verloren gegaan door de langdurige afwezigheid van eiser in Nederland. Eiser verwijst hierbij naar artikel 14 van het Besluit 1/80, waaruit volgt dat deze rechten enkel kunnen worden ingeperkt door redenen van de openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, of vanwege de omstandigheid dat de vreemdeling het grondgebied van de lidstaat van ontvangst gedurende lange tijd zonder gegronde reden heeft verlaten. Eiser betoogt dat in zijn geval geen sprake is van redenen met betrekking tot de openbare orde of de openbare veiligheid en volksgezondheid. Met betrekking tot de laatste voorwaarde betoogt eiser dat hij gegronde redenen had om het grondgebied van Nederland te verlaten. Eiser was destijds minderjarig en daarom afhankelijk van zijn ouders. Het kan eiser dan ook niet worden verweten dat hij zijn ouders heeft gevolgd naar Turkije. Hierbij is het van belang dat eiser nooit de intentie heeft gehad om zich te vestigen in Turkije.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser geen rechten kan ontlenen aan het Associatieverdrag. Eiser heeft namelijk niet aangetoond dat zijn vader drie jaar als werknemer in Nederland tot de legale arbeidsmarkt heeft gehoord. Eiser heeft geen bewijsstukken overgelegd van het legale verblijf bij zijn vader en van het arbeidsverleden van zijn vader. Het enkele feit dat de vader van eiser per 13 december 1980 rechtmatig verblijf in Nederland heeft verkregen maakt niet dat, en hoelang, hij als werknemer tot de legale arbeidsmarkt heeft behoord. Het had op de weg van eiser gelegen om dit aan te tonen door middel van stukken. Voor zover eiser wel rechten zou kunnen ontlenen aan het Besluit 1/80, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat deze rechten verloren zijn gegaan door het vertrek van eiser naar Turkije. Het feit dat eiser destijds zes jaar oud was, maakt niet dat deze keuze niet voor zijn eigen rekening komt. De enkele aanvraag voor gezinshereniging uit 1993 is onvoldoende om aan te tonen dat eiser heeft geprobeerd om weer naar Nederland te komen toen hij hiervoor de mogelijkheid had.
Is er sprake van bewijsnood?
9. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen aanleiding ziet om te veronderstellen dat hij in bewijsnood verkeert. Eiser heeft niet meer documenten dan die hij al heeft overgelegd. Eiser heeft een aanvraag ingediend bij het archief, zodat hij meer documenten kan achterhalen.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser zijn beroep op bewijsnood niet voldoende heeft onderbouwd en ook niet heeft aangetoond dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van meer documenten. De enkele aanvraag van eiser bij het archief is hiervoor in ieder geval onvoldoende.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond
.Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
2.HvJ 17 april 1997, ECLI:EU:C:1997:205 (