ECLI:NL:RBDHA:2025:22980

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
NL24.1044
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf voor Ugandese drieling en eiser 1

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, wordt het beroep van een Ugandese drieling en eiser 1 tegen de afwijzing van hun aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) beoordeeld. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag afgewezen op 16 december 2020, en na bezwaar is deze afwijzing op 15 december 2023 gehandhaafd. De rechtbank heeft op 2 juli 2025 de zaak behandeld, waarbij de gemachtigde van eisers, referent en een tolk aanwezig waren. De minister was afwezig.

De rechtbank concludeert dat de drieling niet voldoende bewijs heeft geleverd van hun identiteit en de familierechtelijke relatie met hun biologische ouders. Er zijn tegenstrijdige verklaringen over de biologische ouders en de minister heeft terecht geoordeeld dat de feitelijke gezinsband met referent niet aannemelijk is gemaakt. De rechtbank oordeelt dat de minister niet verplicht was om DNA-onderzoek aan te bieden, gezien de tegenstrijdigheden in de verklaringen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat de eisers ongelijk krijgen en er geen proceskostenveroordeling plaatsvindt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.1044
V-nummers: [v-nummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2010, eiser 1,
[eiser 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2005 , eiser 2,
[eiseres],
geboren op [geboortedatum 3] 2005 , eiseres,
[eiser 3],
geboren op [geboortedatum 4] 2005 , eiser 3,
allen van Ugandese nationaliteit, hierna samen te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [familielid] (referent)’ in het kader van nareis.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 16 december 2020 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 december 2023 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referent en B. Hitchcock als tolk in de Engelse taal. De minister heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Overwegingen

Het griffierecht
4. Eisers zijn wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
Feiten en omstandigheden
5. Eiser 1 is het biologische kind van de broer van referent en eiser 2, eiser 3 en eiseres (de drieling) zijn de biologische kinderen van de zus van referent. Eisers stellen de pleegkinderen van referent, hun oom, te zijn. Op 18 mei 2018 hebben eisers een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van nareis, om bij referent in Nederland te verblijven. Referent heeft verklaard dat zijn broer en zus zijn overleden en dat de andere biologische ouders van de kinderen ook zijn overleden of onbekend zijn. Van de overleden ouders heeft referent (door Bureau Documenten echt bevonden) overlijdensaktes overgelegd alsmede een verklaring van de Chairman van [stichting] en een verklaring van zijn ex-vrouw.
Het bestreden besluit
6. De minister heeft de aanvraag van de drieling afgewezen omdat zij de identiteit van hun biologische ouders niet met officiële identificerende documenten hebben aangetoond. Ook wordt er geen bewijsnood aangenomen. Daarnaast bevatten de documenten die wel zijn overgelegd feitelijke onjuistheden. De familierechtelijke relatie tussen de drieling en hun biologische ouders is daarom niet aannemelijk gemaakt. De identiteit van de biologische ouders van eiser 1 is ook niet met officiële identificerende documenten onderbouwd. In het kader van de integrale beoordeling heeft de minister eiser 1 wel het voordeel van de twijfel gegeven en de identiteit en de familierechtelijke relatie tussen eiser 1 en zijn biologische ouders aannemelijk geacht. De feitelijke gezinsband tussen referent en eiser 1 is echter niet aannemelijk geacht door de minister. Referent heeft namelijk tegenstrijdig verklaard over het gezin waarin eiser 1 is opgenomen. Ook heeft referent niet voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser 1, anders dan financieel, afhankelijk van hem is. Ten slotte is niet aannemelijk gemaakt dat referent de voogdij over eiser 1 heeft verkregen.
7. De rechtbank zal allereerst ingegaan op de afwijzing van de aanvraag van de drieling. Daarna zal de rechtbank ingaan op de afwijzing van de aanvraag van eiser 1.
De drieling
8. De drieling voert aan dat de minister verwijst naar een Ugandese wet waaruit volgt dat de vader van een buitenechtelijk kind actief toestemming moet geven voor registratie op de geboorteakte, maar dat de minister deze wet ten onrechte niet heeft genoemd in het bestreden besluit. Daarnaast gaat de minister bij de bespreking van de verklaring van de Chairman en de verklaring van de ex-vrouw van referent voorbij aan hetgeen hierover is aangevoerd in de aanvullingen op het bezwaar van 10 maart 2021. Dat maakt de motivering van het besluit op dit punt gebrekkig. Daar komt bij dat de minister op zijn minst een DNA-onderzoek had moeten aanbieden. Verder is de motivering van de minister over het zijn van pleegvader door referent volstrekt onvoldoende. De minister heeft ten onrechte getwijfeld aan de geboorteaktes van de drieling. Daarnaast heeft de minister de drieling het voordeel van de twijfel moeten geven omdat in het bestreden besluit niet ter sprake komt dat betwist zou worden dat de ouders van de kinderen overleden zijn en mitsdien geen gezagsverhouding hebben over de drieling. Tenslotte stellen eisers dat er sinds jaar en dag sprake is van een feitelijke gezinsband die ongewijzigd is gebleven. Dit heeft de minister ten onrechte niet meegewogen.
8.1.
Voor het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw [2] moet de identiteit van de familieleden en de familierechtelijke relatie zijn aangetoond. [3] In nareiszaken moet de minister een integrale beoordeling maken van alle overgelegde documenten en/of afgelegde verklaringen tenzij een vreemdeling zijn deel van de samenwerkingsplicht overduidelijk niet is nagekomen. Daarbij betrekt hij ook alle andere relevante elementen van het desbetreffende geval. De eisen die de minister aan het geleverde bewijs stelt, moeten evenredig zijn aan die elementen. Bovendien moet de minister gemotiveerd beoordelen of een vreemdeling het voordeel van de twijfel verdient.
8.2.
De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft terecht geconcludeerd dat de drieling de identiteit en de familierechtelijke relatie tussen hen en hun biologische ouders niet aannemelijk heeft gemaakt. Er zijn geen identificerende documenten overgelegd om de identiteit van de biologische moeder en vader van de drieling aannemelijk te maken. Verder heeft de minister kunnen betrekken dat referent heeft verklaard dat zijn zus (de biologische moeder van de drieling) is verkracht en dat hij niet weet wie de biologische vader is. [4] De naam van de biologische vader die op de geboorteaktes geregistreerd staat, [persoon 1] , is volgens referent dan ook een fictieve naam. Tijdens het gehoor op 24 november 2020 heeft referent echter verklaard dat de naam van de biologische vader mogelijk wel echt is en dat zijn zus de naam van de biologische vader misschien tegen hun moeder heeft verteld. Deze tegenstrijdige verklaringen heeft de minister aan eisers mogen tegenwerpen. Dat de naam op de geboorteakte een fictieve naam betreft heeft de minister ook bevreemdend mogen achten aangezien volgens de Births and Deaths Registation Act de vader niet zomaar op de geboorteakte kan worden vermeld zonder dat hij hiervoor toestemming heeft gegeven. [5] Deze wet heeft de minister in het primaire besluit genoemd en in het bestreden besluit is naar het primaire besluit verwezen. [6]
8.3.
Ook heeft de minister kunnen betrekken dat de overgelegde verklaring van de Chairman en van de ex-vrouw van referent tegenstrijdigheden bevatten ten opzichte van het verhaal van referent. Zo heeft de Chairman in zijn brieven met betrekking tot de drieling verklaard dat hun overleden ouders, [persoon 2] (de zus van referent) en [persoon 1] , hem welbekend waren als inwoners van het gebied [stichting] waarover hij L.C.I. Chairman is. Nu gesteld is dat de naam van de vader van de drieling een fictieve naam is danwel dat de vader onbekend is, kan hetgeen door de Chairman is verklaard (namelijk dat de gestelde vader hem welbekend is), niet kloppen. Ook de verklaring van de ex-vrouw van referent is tegenstrijdig aan dat van referent. Zo heeft zij verklaard dat onder andere [persoon 3] een kind is van [persoon 5] (de moeder van referent). Referent heeft echter gesteld en verklaard dat [persoon 6] de biologische moeder is van eiser 1. Verder staat in de verklaring dat zij van referent heeft vernomen dat de biologische vader van de drieling, [persoon 1] , is overleden tijdens de zwangerschap van hun moeder en zij de familie heeft verteld dat zij geen familieleden van [persoon 1] kende. Dit strookt niet met de verklaringen die door referent zijn afgelegd. Verder heeft referent de familierechtelijke relatie tussen hem en de drieling ook niet aannemelijk gemaakt nu hij geen voogdijakte heeft overgelegd en ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voogdij van rechtswege naar hem zou zijn gegaan na het overlijden van zijn zus.
9. Gelet op voorgaande overweegt de rechtbank dat er veel verschillende verhalen zijn over de biologische vader en moeder van de drieling en dat referent geen goede verklaring hiervoor heeft gegeven. De minister heeft daarom voldoende gemotiveerd waarom de drieling de identiteit en de familierechtelijke relatie tussen hen en hun biologische ouders en tussen hen en referent onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft ook geen DNA-onderzoek hoeven aanbieden omdat er sprake is van een contra-indicatie, namelijk de tegenstrijdige verklaringen. [7] De minister is daarom ook terecht niet toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van het overlijden van de biologische ouders en het gestelde pleegouderschap van referent. De beroepsgrond slaagt niet.
Eiser 1
10. Ten aanzien van eiser 1 heeft referent aangevoerd dat hij het samenwonen met zijn ex-vrouw niet heeft ervaren als dat hij echt met haar samenwoonde. Daarom heeft hij tijdens zijn asielprocedure verklaard dat hij nooit heeft samengewoond met haar. Zijn ex-vrouw kwam vaak langs het huis van zijn moeder waar hij met de kinderen woonde en hielp dan in de huishouding. Nadat referent gevlucht was, verbleven de kinderen bij zijn moeder. Pas na zes maanden is hij erachter gekomen dat zijn ex-vrouw de kinderen had meegenomen naar haar huis. Er is daarom een verschil in interpretatie over de term “samenwonen” en niet tegenstrijdig verklaard door referent. De onwenselijke situatie dat de ex-vrouw van referent voor vier kinderen de zorg heeft die niet van haar zijn, heeft de minister ook ten onrechte niet meegewogen. Ook gaat de minister voorbij aan alle andere bewijzen die zijn overgelegd. Voor de vlucht van referent was er wel degelijk sprake van een gezinsband tussen referent en de vier kinderen. Daarnaast is de bewijsnood waar eisers zich in verkeren vergroot door de lange tijd die deze procedure inneemt. Ook had de zoon van referent, [persoon 7] , kunnen verklaren over de situatie die onveranderd is gebleven.
10.1.
Bij de beoordeling of een pleegkind feitelijk deel uitmaakt van het gezin van de referent, betrekt de minister de identiteit en de familierechtelijke relatie van het pleegkind en zijn/haar biologische ouders, de duur en de reden van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent, de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van de referent, in hoeverre de biologische ouders van het pleegkind in staat zijn voor het pleegkind te zorgen en, als dit aan de orde is, in hoeverre zij betrokken zijn gebleven bij de opvoeding van het pleegkind en of de referent de voogdij over het pleegkind heeft gekregen. [8]
10.2.
De rechtbank oordeelt als volgt. Tijdens zijn asielprocedure heeft referent verklaard dat hij nooit heeft samengewoond met zijn ex-vrouw. Ook heeft hij verklaard dat hij voor het laatst contact met haar heeft gehad twee maanden na haar bevalling van hun zoon [persoon 7] . Dit betekent dat referent haar rond oktober 2015 voor het laatst zou hebben gesproken. Ook heeft referent verklaard dat zijn moeder op dat moment voor de drieling en eiser 1 zorgde. In bezwaar heeft referent daarentegen verklaard dat hij met zijn ex-vrouw bij zijn moeder inwoonde, en dat zij een belangrijke rol had in het huishouden en in de zorg voor de drieling en eiser 1. Deze tegenstrijdigheid heeft de minister aan eiser 1 mogen tegenwerpen. Daarnaast heeft referent tijdens de hoorzitting verklaard dat hij zeven dagen per week werkte en dat zijn ex-vrouw kookte voor de kinderen en hun kleding waste. Ook ging hij af en toe naar de school van de kinderen als het nodig was, maar dat deed hij alleen als zijn ex-vrouw het te druk had. Verder heeft referent naast het kiezen van de school geen voorbeelden genoemd van beslissingen die hij over eiser 1 heeft genomen. Uit deze verklaringen heeft de minister mogen concluderen dat eiser 1 niet afhankelijk van referent was en/of is. Overigens heeft referent op de zitting niets over de gestelde feitelijke gezinsband verklaard of onderbouwd. Dat referent eiser 1 financieel onderhouden heeft en ook nu nog geld voor hem overmaakt, maakt het voorgaande niet anders. Tot slot heeft referent niet aannemelijk gemaakt dat hij wettelijk gezien de voogdij heeft over eiser 1. De minister heeft daarom terecht geoordeeld dat referent de feitelijke gezinsband met eiser 1 en dat er sprake is van een pleegsituatie, niet aannemelijk heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Mertens, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en de uitspraak is verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De datum van verzending van de uitspraak ziet u hierboven.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.C2/4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) gelezen in samenhang met C2/4.1.5 Vc.
4.Verslag hoorzitting 20-09-2023, pagina 6.
6.In het primaire besluit op pagina 3 en in het bestreden besluit wordt naar het primaire besluit verwezen op pagina 4.
7.Werkinstructie 2022/7 Nader onderzoek in de nareisprocedure, inclusief DNA-onderzoek
8.Paragraaf C2/4.1.2.2. van de Vc.