Verzoeker diende op 7 december 2023 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De minister van Asiel en Migratie besloot niet binnen de wettelijke termijn op deze aanvraag, waardoor verzoeker beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen op 22 juli 2024.
Bij besluit van 7 november 2024 werd de aanvraag alsnog ingewilligd. Verzoeker trok daarop het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank oordeelde dat verweerder geheel aan het beroep tegemoet was gekomen door alsnog te beslissen.
De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van de proceskosten aan verzoeker, vastgesteld op €453,50, gebaseerd op de standaardpuntenregeling voor beroepsmatige rechtsbijstand met een lichte wegingsfactor. Deze uitspraak werd gedaan zonder zitting op 26 november 2025.