ECLI:NL:RBDHA:2025:23005

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
NL24.22616
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing mvv-aanvraag wegens niet voldoen aan inburgeringseisen en bijzondere individuele omstandigheden

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 10 november 2025, wordt het beroep van eiser, een Ghanese nationaliteit, gegrond verklaard. Eiser had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om gezinsleven te kunnen uitoefenen met zijn echtgenote in Nederland. De minister van Asiel en Migratie had deze aanvraag afgewezen op basis van het niet voldoen aan de inburgeringseisen, specifiek het niet slagen voor het basisexamen inburgering buitenland. Eiser heeft het examen in totaal zeven keer afgelegd, maar is niet geslaagd voor de onderdelen spreekvaardigheid en leesvaardigheid. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die ontheffing van de inburgeringsplicht rechtvaardigen. Eiser heeft zich gedurende meer dan twee jaar ingespannen om het examen te halen, en de rechtbank constateert een licht stijgende lijn in zijn examenresultaten. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van de minister en draagt deze op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij ook de gezondheidstoestand van de echtgenote van eiser in acht moet worden genomen. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van € 1.814,- toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.22616
[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1968, van Ghanese nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. A.A. Ubbergen),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. J. Becker).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: de mvv-aanvraag). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn mvv-aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van eisers aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Eiser krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een mvv-aanvraag ingediend in het kader van een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘familie- en gezinsleven’. Eiser wil namelijk gezinsleven uitoefenen met zijn echtgenote die in Nederland woont.
2.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 21 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 mei 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de echtgenote van eiser, de gemachtigde van eiser, T. Oolman-Bakah als tolk in de taal Twi en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister heeft eisers mvv-aanvraag afgewezen omdat hij niet voldoet aan alle vereisten van de verblijfsvergunning waarvoor hij de mvv heeft aangevraagd. Eiser voldoet namelijk niet aan het inburgeringvereiste, omdat hij niet voor het basisexamen inburgering buitenland (hierna: het examen) is geslaagd. De minister ziet geen aanleiding om eiser te ontheffen van de plicht om dit examen te halen. Er is namelijk niet gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die nopen tot ontheffing. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het inburgeringsplicht niet discriminatoir is. Het onderscheid dat wordt gemaakt tussen verschillende nationaliteiten in de Wet inburgering is door de wetgever onderkend en gerechtvaardigd geacht. Tot slot heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit niet in strijd is met eisers recht op familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM [2] .
Had de minister eiser moeten ontheffen van de inburgeringsplicht?
4. Eiser voert aan dat er wel degelijk bijzondere individuele omstandigheden spelen op grond waarvan hij ontheven moet worden van de plicht om het examen te halen. Eiser heeft twee onderdelen van zijn examen tot zeven keer toe niet gehaald, namelijk de spreekvaardigheid en de leesvaardigheid. Dit komt doordat eiser een heel erg laag IQ heeft en alleen de basisschool heeft gevolgd. Zijn ouders hadden bovendien niet genoeg geld voor zijn onderwijs, waardoor eiser uiteindelijk is gestopt met school. Eiser is hierdoor analfabeet. Het lukt eiser daarom niet om het examen te halen, ondanks zijn inspanningen daartoe. Hij heeft een cursus gevolgd en geoefend met vrienden en met zijn echtgenote, maar dit heeft niet geholpen.
5. Op grond van artikel 3.71a, tweede lid, onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000, wordt een aanvraag zoals die van eiser niet afgewezen op de grond dat niet is voldaan aan de verplichting om het examen met goed gevolg af te leggen als er bijzondere individuele omstandigheden spelen die maken dat, bij handhaving van die verplichting, het onmogelijk of uiterst moeilijk is voor een vreemdeling om zijn recht op gezinshereniging uit te oefenen.
5.1.
Op grond van paragraaf B1/4.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat een opsomming van aspecten die de minister kan betrekken bij de beoordeling of er bijzondere individuele omstandigheden bestaan. De minister betrekt – voor zover relevant – de door de vreemdeling getoonde wil en geleverde inspanningen om zich voor te bereiden op en te slagen voor het examen. De behaalde scores voor een examenonderdeel kunnen een indicatie geven voor de geleverde inspanningen. Verder betrekt de minister onder andere het tijdsverloop sinds de start van de inspanningen. De inspanningen – gericht op zowel de voorbereidingen voor het examen als de pogingen het examen te halen– van de vreemdeling mogen niet zo lang duren dat uitoefening van het recht op gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt. Ook betrekt de minister de aangevoerde aspecten als de gezondheidstoestand van de betrokken gezinsleden, de gemaakte kosten ter voorbereiding en/of het afleggen van het basisexamen, het opleidingsniveau of analfabetisme, de duur van het huwelijk en het tijdsverloop na de start van de inspanningen tot gezinshereniging.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser het examen in de vier jaar tot aan het bestreden besluit in totaal zes keer heeft afgelegd. Deze zes pogingen hebben plaatsgevonden op de volgende data en hebben tot de volgende resultaten geleid (KNS = kennis Nederlandse samenleving, SV = spreekvaardigheid en
LV = leesvaardigheid):
17 juli 2020 KNS: 4, SV: 2, LV: 3
19 november 2020 KNS: 6, SV: 1, LV: 3
18 februari 2021 SV: 3, LV: 2
21 april 2021 SV: 2, LV: 2
11 augustus 2021 SV: 2, LV: 2
9 november 2022 SV: 4, LV: 2
De gemachtigde van eiser heeft verklaard dat eiser in september 2024 voor de zevende keer heeft geprobeerd het examen af te leggen, maar dat hij hiervoor opnieuw niet geslaagd is.
5.3.
Gelet op het bovenstaande juridisch kader is de rechtbank van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen bijzondere individuele omstandigheden in de zin van artikel 3.71a van het Vb 2000 spelen. De rechtbank acht in dat kader van belang dat eiser in juli 2020 – ruim twee jaar voordat hij zijn aanvraag indiende – is begonnen met zijn inspanningen om het examen te halen. De rechtbank acht ook van belang dat eiser zich tijdens de procedure is blijven inspannen om het examen te halen en dat hij in de afgelopen vijf jaar het examen in totaal zeven keer heeft afgelegd. De rechtbank ziet bovendien een (licht) stijgende lijn in de cijfers die eiser heeft voor deze examenpogingen, waaruit de rechtbank opmaakt dat eiser serieuze pogingen heeft gedaan het examen te halen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit eisers wil en de door hem geleverde inspanningen om zich voor te bereiden op en te slagen voor het examen. De rechtbank volgt de minister daarom niet in zijn oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich lang genoeg heeft ingezet om zich voor te bereiden op het examen. Verder heeft de minister niet kenbaar betrokken dat eiser en referente al in 2019 gehuwd zijn.
5.4.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met motiveringsbeginsel van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf een beslissing over de aanvraag van eiser te nemen. Dit omdat de bevoegdheid hiertoe in de eerste plaats bij de minister ligt. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit is volgens de rechtbank namelijk geen doelmatige en efficiënte manier om de zaak af te doen.
7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Bij het nemen van een nieuw besluit moet de minister ook betrekken dat eiser in beroep voor de zevende keer het inburgeringsexamen zonder het beoogde resultaat heeft afgelegd. De minister moet daarnaast de gezondheidstoestand van referente betrekken waarover zij ter zitting verklaard heeft. Zo nodig moet de minister hier nader onderzoek naar doen. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
8. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).
9. Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister ook geen griffierecht aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 6 mei 2024;
  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.