ECLI:NL:RBDHA:2025:23014

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
Nl24.44332, NL.24.44333 en NL.24.44336 en NL.24.44337
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van aanvragen voor gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid en verblijfsdoel familie en gezin

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 28 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen eisers, een Nepalese familie, en de Minister van Asiel en Migratie. De aanvragen van eiseres voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) en van eiser voor een verblijfsdoel 'familie en gezin' zijn afgewezen. De minister heeft geoordeeld dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden voor de vergunning, omdat de arbeidsplaats niet tijdig aan het UWV is gemeld en er onvoldoende inspanningen zijn verricht om de arbeidsplaats te vervullen. Bovendien is het aangeboden salaris niet markconform. De rechtbank heeft de beroepen van eisers ongegrond verklaard, waarbij zij heeft vastgesteld dat de minister zich terecht heeft gebaseerd op de adviezen van het UWV. Eisers hebben geen gronden aangevoerd tegen het niet voldoen aan de vereisten voor de vergunning. De rechtbank heeft ook het beroep van eisers op artikel 8 van het EVRM verworpen, omdat er geen sprake is van een schending van dit artikel. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de aanvragen van eisers terecht zijn afgewezen en dat er geen aanleiding is voor een voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.44332 (beroep), NL24.44333 (vovo), NL24.44336 (beroep) en NL.24.44337 (vovo)
[V-Nummers]
uitspraak van de (voorzieningen)rechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres

en

[eiser] , eiser,

(gemachtigde: mr. J. van Putten),
gezamenlijk te noemen: eisers
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).

Procesverloop

1.1.
Met de besluiten van 25 maart 2024 (de primaire besluiten) heeft de minister de aanvraag van eiseres voor Toegang en Verblijf met het oog op een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) met als verblijfsdoel ‘arbeid in loondienst’ en de aanvraag voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ van eiser afgewezen.
1.2.
Met het besluit van 14 oktober 2024 (het bestreden besluit I) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Met het besluit van 15 oktober 2024 (het bestreden besluit II) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
1.4.
De voorzieningenrechter/rechtbank (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en de verzoeken op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de minister en [naam 1] namens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Eisers en hun gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiseres is op [geboortedatum 1] 1982 geboren en heeft de Nepalese nationaliteit. Eiser is op [geboortedatum 2] 1970 geboren en heeft ook de Nepalese nationaliteit. Eisers hebben samen twee kinderen. Eiseres heeft op 13 januari 2022 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf en op 8 maart 2022 is deze vergunning toegewezen met als verblijfsdoel ‘arbeid in loondienst’ om te gaan werken bij [naam 2] . Aan eiser is een verblijfsrecht verleend met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’. Ook de kinderen van eisers hebben een afhankelijk verblijfsrecht gekregen.
2.1.
Op 9 oktober 2023 is door de nieuwe werkgever van eiseres [naam 3] een aanvraag ingediend voor een GVVA. Op 30 januari 2024 is ook voor haar gezinsleden een aanvraag ingediend voor hun afhankelijke verblijfsvergunningen.
3.1.
De minister heeft de aanvraag van eiseres behandeld in een procedure voor een GVVA en het UWV verzocht om advies. Met het primaire besluit van 25 maart 2024 heeft de minister de aanvraag van eiseres afgewezen. De minister heeft daarbij verwezen naar het negatieve advies van het UWV van 19 maart 2024. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft de minister het UWV opnieuw verzocht om een advies. Het UWV heeft op
29 juli 2024 nogmaals een negatief advies uitgebracht. Met het bestreden besluit van
14 oktober 2024 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard onder verwijzing naar de adviezen van het UWV.
3.2.
Uit de adviezen van 29 juli 2024 en 14 oktober 2024 volgt dat het UVW een negatief advies heeft uitgebracht omdat:
- het een arbeidsplaats betreft waarvan de beschikbaarheid niet ten minste vijf weken vóór het indienen van de aanvraag aan het UWV is gemeld [1] ;
- de werkgever niet kan aantonen voldoende inspanningen te hebben gepleegd de arbeidsplaats door prioriteitsgenietend aanbod te vervullen [2] ;
- van de te vervullen arbeidsplaats de arbeidsvoorwaarden, arbeidsverhoudingen of arbeidsomstandigheden beneden het niveau liggen dat wettelijk is vereist of in de desbetreffende bedrijfstak gebruikelijk is [3] .
3.3.
Het UWV concludeert dat er geen vacaturemelding heeft plaatsgevonden bij het Servicepunt Aziatische Horeca. Daarnaast heeft de werkgever nagelaten aan te tonen dat er gezocht is naar kandidaten in Nederland en andere EU/EER landen en Zwitserland. Er zijn dus onvoldoende aantoonbare wervingsinspanningen verricht. Als laatste concludeert het UWV dat het loon niet markconform is, aangezien het salaris van eiseres minder is dan het wettelijk minimumloon.
4.1.
Op grond van artikel 3.31, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan – voor zover van belang – de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ worden verleend indien geen afwijzingsgrond van toepassing is uit artikel 8 van de Wav.
4.2.
Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wav – voor zover van belang – weigert Onze Minister een gecombineerde vergunning:
indien voor de desbetreffende arbeidsplaats prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is;
indien het een arbeidsplaats betreft waarvan de beschikbaarheid niet ten minste vijf weken voor het indienen van de aanvraag aan het UWV is gemeld;
indien de werkgever niet kan aantonen voldoende inspanningen te hebben gepleegd de arbeidsplaats door prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt te vervullen;
indien van de te vervullen arbeidsplaats de arbeidsvoorwaarden, arbeidsverhoudingen of arbeidsomstandigheden beneden het niveau liggen dat wettelijk is vereist of in de betreffende bedrijfstak gebruikelijk is.
4.3.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat een advies van het UWV een deskundigenadvies is aan de minister voor de uitoefening van zijn bevoegdheden. De minister moet zich er op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van vergewissen dat het arbeidsmarktadvies van het UWV - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.
5. Eisers betwisten dat het UWV-advies dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, zowel naar inhoud als naar wijze van totstandkoming, voldoende inzichtelijk en concludent is. De minister heeft volgens hen niet voldaan aan zijn vergewisplicht. In bezwaar zijn door eisers stukken ingediend ter nadere onderbouwing van de wervingsinspanning. Het UWV gaat niet inhoudelijk op deze stukken in en heeft dus nagelaten een inhoudelijke beoordeling te maken. Daarbij lijkt het UWV enkel te zijn uitgegaan van de print data die vermeld zijn op de vacatures. Het UWV had er niet zonder meer vanuit moeten gaan dat de printdatum ook de daadwerkelijke plaatsingsdatum van de vacature betreft. Het is namelijk niet uitgesloten dat de vacature al voor de printdatum zou zijn geplaatst. In het kader van zorgvuldigheid had het UWV een herstelverzuim aan eisers kunnen aanbieden, dan wel eisers kunnen horen in bezwaar. Er bestaat volgens eisers dan ook geen deugdelijke grond om van het horen in bezwaar af te zien. Eisers doen ten slotte een beroep op artikel 8 van het EVRM. [4] Het gezin verblijft vanaf 14 januari 2023 in Nederland en hebben daarmee al 2,5 jaar rechtmatig verblijf. Daarnaast gaan de kinderen hier naar school en is eiseres toegetreden tot de arbeidsmarkt.
6.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de arbeidsplaats niet ten minste vijf weken voor het indienen van de aanvraag aan het UWV is gemeld, dat niet aangetoond is dat er voldoende inspanningen zijn verricht om de arbeidsplaats door prioriteitsgenietend aanbod op de arbeidsmarkt te vervullen en dat er een salaris is overeengekomen dat onder het wettelijk minimum ligt. Er wordt daarom niet voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een gecombineerde vergunning. Door eisers zijn geen gronden aangevoerd tegen het niet voldoen aan deze vereisten. Dit betekent dat het standpunt van het UWV (dat zij niet voldoen aan de voorwaarden voor een gecombineerde vergunning) door eisers niet wordt betwist. Eisers argument dat de minister niet uit diende te gaan van de print data van de vacatures maar van de data genoemd in de vacature, doet hier niet aan af.
6.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat de adviezen van het UWV op
29 juli 2024 en 14 oktober 2024 zorgvuldig tot stand zijn gekomen, inhoudelijk inzichtelijk zijn en concludent zijn. Uit het advies volgt duidelijk dat eisers niet voldoet aan artikel 8, eerste lid, onder b, c en d van de Wav. Eisers hebben, los van de printdata die op zichzelf niets zeggen over het vervullen van de voorwaarden, geen argumenten aangevoerd tegen het standpunt dat de minister niet uit mocht gaan van deze adviezen van het UWV. Van schending van de hoorplicht is niet gebleken. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit op de juiste gronden genomen is.
6.3.
Het beroep van eisers op artikel 8 van het EVRM slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat artikel 8 van het EVRM niet zo ver strekt dat het een recht op vrije woonplaatskeuze geeft. [5] Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM. De aanvraag van eiseres is afgewezen en daarmee ook de aanvraag van eiser voor wie de vergunning afhankelijk was van de vergunning van eiseres. Dat gold ook voor de kinderen die een afhankelijke vergunningaanvraag hadden gedaan. Omdat het gezin niet is gescheiden door de bestreden besluiten is er geen sprake van een schending van artikel 8 van het EVRM. Dat eisers aanvoeren dat zij in Nepal alles hebben verkocht en het leven daar achter zich hebben gelaten is een omstandigheid die voor hun eigen risico komt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond.
De voorzieningenrechter:
- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
2.Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wav.
3.Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wav.
4.Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van