ECLI:NL:RBDHA:2025:23037

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 september 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
24/1520, 24/1524 en 24/2299
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen besluit omgevingsvergunning voor aanbouw in beschermd stadsgezicht

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 25 september 2025, zijn de beroepen van drie eisers tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag ongegrond verklaard. De eisers hadden bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning voor een aanbouw aan de achterkant van een woning op een perceel in Den Haag. Het college had in een eerder besluit van 9 januari 2024 de bezwaren van de eisers ongegrond verklaard, omdat de aanbouw als vergunningvrij werd beschouwd. De rechtbank heeft de feiten en omstandigheden rondom de aanvraag en de daaropvolgende besluiten zorgvuldig beoordeeld. De rechtbank concludeert dat de wijzigingen in het bouwplan niet zodanig zijn dat een nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning vereist is. De rechtbank oordeelt dat de aanbouw voldoet aan de voorwaarden voor vergunningsvrij bouwen en dat er geen strijd is met de cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht. De rechtbank heeft ook de adviezen van de Welstands- en monumentencommissie in overweging genomen en vastgesteld dat het college terecht heeft geconcludeerd dat de aanbouw niet in strijd is met het bestemmingsplan. De eisers krijgen geen gelijk en de rechtbank bevestigt dat het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1520, 24/1524 en 24/2299
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2025 in de zaken tussen

1.1. [eiser 1] , uit [woonplaats] , eiser I

2.[eiser 2] , uit [woonplaats] eiser II

3. [eiser 3]uit [woonplaats] , eiser III
(gemachtigde: mr. J.M. Lammers)
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. S.J.C. Hocks).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
[derde-partij]uit [woonplaats]
(gemachtigde: mr. J. Geelhoed).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beroepen van eisers tegen bestreden besluit van 9 januari 2024, waarbij het college de bezwaren van eisers tegen de verleende omgevingsvergunning voor de aanbouw aan de achterkant van de woning op het perceel [adres] te [plaats] (het perceel) ongegrond heeft verklaard, omdat sprake is van een vergunningvrij bouwwerk. Eisers zijn het niet eens met de komst van de aanbouw. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college in het bestreden besluit terecht het standpunt heeft ingenomen dat geen omgevingsvergunning vereist is voor de aanbouw.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving is weergegeven in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. In het besluit van 3 juli 2023 (primaire besluit) heeft het college de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een aanbouw op het perceel in strijd met de bouwregels uit het bestemmingsplan. Eisers zijn daar afzonderlijk tegen in bezwaar gegaan. Met het bestreden besluit van 9 januari 2024 heeft het college in navolging van het advies van de bezwarencommissie de bezwaren van eisers ongegrond verklaard omdat voor de aanbouw op basis van het gewijzigde bouwplan van 24 oktober 2023 geen omgevingsvergunning is vereist. Met het aanvullende besluit van 14 februari 2024 heeft het college de omgevingsvergunning van 3 juli 2023 ingetrokken. De rechtbank ziet dit besluit als een herroeping van het primaire besluit, zoals ook geadviseerd door de bezwarencommissie, en daarmee een onderdeel van het bestreden besluit op bezwaar.
2.1.
Eisers hebben ieder afzonderlijk beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 3 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eiser II en III, de gemachtigde van het college en de derde-partij, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn echtgenote.
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 12 januari 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Op 24 oktober 2023, in de bezwaarfase, heeft de derde-partij het bij het primaire besluit vergunde bouwplan gewijzigd om tegemoet te komen aan de verschillende bezwaren van omwonenden. Met dit bouwplan is het ‘lange’ deel van de aanbouw 1,55 meter minder diep geworden (4 meter in plaats van 5,55 meter) en het ‘korte’ deel 77 cm dieper (van 2,36 meter naar 3,13 meter). Dit gewijzigd bouwplan is bij de heroverweging in bezwaar betrokken. In navolging van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften heeft het college het standpunt ingenomen dat de aldus gewijzigde aanbouw een vergunningvrij bouwwerk is (geworden) als bedoeld in artikel 3, eerste lid en artikel 4a, tweede lid, onder b, onder 3
°van Bijlage II bij het Besluit (Bor). Het college stelt daarnaast dat de strijdigheid met de regels uit het bestemmingsplan met het gewijzigde bouwplan is opgeheven. Er hoeft derhalve ook geen ontheffing te worden verleend van de planregels, en er hoeft dan ook geen belangenafweging te worden gemaakt. Het gewijzigde bouwplan is ook opnieuw voorgelegd aan de Welstands- en monumentencommissie (Wmc) en deze heeft positief geadviseerd over het bouwplan. Het college heeft de bezwaren van eisers om deze redenen ongegrond verklaard omdat voor het gewijzigd bouwplan geen omgevingsvergunning nodig is en heeft de verleende omgevingsvergunning van 3 juli 2023 ingetrokken.
Wijziging van ondergeschikte aard?
5. Eisers II en III hebben aangevoerd dat het gewijzigd bouwplan van 24 oktober 2023 niet gezien kan worden als wijziging van ondergeschikte aard, omdat de vorm van de aanbouw volledig is veranderd ten opzichte van het oorspronkelijke plan. Het nieuwe bouwplan is volgens hen ruimtelijk gezien nadeliger voor hen dan het eerste plan. Ter zitting is toegelicht dat alle eisers zich met name benadeeld voelen door de atypische hoogte van de aanbouw.
5.1.
Het college dient te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals die is ingediend. Het college is gerechtigd, en in bepaalde gevallen zelfs verplicht, om de aanvrager in de gelegenheid te stellen om een aanvraag zo te wijzigen of aan te vullen, dat geconstateerde beletselen voor het verlenen van de vergunning worden weggenomen. Daarbij zal het moeten gaan om wijzigingen van ondergeschikte aard, waarvoor geen nieuwe aanvraag is vereist. Bij de beoordeling of de wijziging van ondergeschikte aard is, is van belang of de ruimtelijke uitstraling van het oorspronkelijke bouwplan verandert en daarmee ook de uiterlijke verschijningsvorm van het gebouw. De vraag of zich een wijziging van ondergeschikte aard voordoet moet per concreet geval beoordeeld worden. Als de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan gesproken kan worden, moet een nieuwe aanvraag worden ingediend. Dit volgt uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). [1]
5.2.
In dit geval heeft de derde-partij op eigen initiatief het bouwplan gewijzigd, nadat voor het oorspronkelijke bouwplan al een omgevingsvergunning was verleend. Door de aanbouw over het langste deel 1,55 meter minder diep te maken en het kortste deel van de aanbouw 77 cm langer te maken, is de uiterlijke verschijningsvorm en dus ook de ruimtelijke uitstraling van de aanbouw ten opzichte van het eerste bouwplan, gewijzigd. De rechtbank is echter van oordeel dat de wijzigingen van de aanbouw niet zodanig grote gevolgen hebben voor de ruimtelijke uitstraling dat die wijzigingen niet meer als ondergeschikt kunnen worden aangemerkt. Het oppervlakte van de aanbouw is met het gewijzigde bouwplan immers 2,3 m2 kleiner geworden ten opzichte van het eerste bouwplan. De diepte van de aanbouw is op het langste deel 1.55 minder diep geworden. De hoogte van de aanbouw, waar de belangrijkste grieven van eisers zich tegen richten, blijft in het gewijzigde bouwplan gelijk aan de hoogte uit het eerste bouwplan, die bij de eerder verleende vergunning al was toegestaan. De aanbouw is in hoogte dus niet ten nadele van eisers gewijzigd. De rechtbank concludeert derhalve dat de wijzigingen niet of nauwelijks een grotere aantasting van de belangen van derden tot gevolg hebben dan de gevolgen van het oorspronkelijke bouwplan. De rechtbank is dus van oordeel dat het college het bouwplan van 24 oktober 2023 mocht aanmerken als wijziging van ondergeschikte aard. Het college heeft het gewijzigde bouwplan terecht in heroverweging in bezwaar bij de beoordeling betrokken. Voor het gewijzigde bouwplan hoefde de derde-partij dus geen nieuwe aanvraag te in te dienen.
Heeft het college terecht geconcludeerd dat de aanbouw een vergunningvrij bouwwerk is?
Is voor de activiteit ‘bouwen’ een omgevingsvergunning vereist?
6. De aanvraag ziet op de activiteit ‘bouwen’ in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van Wabo. Voor de activiteit ‘bouwen’ is volgens het college geen omgevingsvergunning vereist, omdat de aanbouw voldoet aan de voorwaarden uit artikel 3, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor. De uitzondering op het vergunningsvrij bouwen in een beschermd stadsgezicht geldt niet, omdat sprake is van de situatie in artikel 4a, tweede lid, onder sub b, onder 3° van Bijlage II bij het Bor, nu de aanbouw is gelegen op het achtererf en dat erf geen deel uitmaakt van het erf aan de zijkant van het gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd.
7. Eisers hebben aangevoerd dat het niet enkel gaat om het bouwen van de aanbouw, maar ook het maken van een constructieve doorbraak. De gemachtigde van eisers II en III heeft betoogd dat daarom artikel 3, achtste lid, onder a van Bijlage II bij het Bor van toepassing is. Daarin is voorgeschreven dat een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet niet is vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op een verandering van een bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: geen verandering van de draagconstructie. Omdat de draagconstructie wel wordt veranderd, is volgens eisers geen sprake van een vergunningsvrij bouwwerk.
7.1.
De gemachtigde van de derde-partij heeft betoogd dat voor een aan- of uitbouw altijd sprake is van een wijziging in de draagconstructie in de achtergevel en dat in de rechtspraak wordt aangenomen [2] dat voor een constructieve wijziging die samenhangt met een vergunningsvrije aanbouw dan ook geen omgevingsvergunning nodig is.
7.2.
De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond van eisers niet slaagt. De rechtbank overweegt dat de aanbouw zoals aangevraagd bij gewijzigd bouwplan voldoet aan de voorwaarden genoemd in de onderdelen a tot en met d van artikel 3, eerste lid van Bijlage II van het Bor en dat artikel 4a, tweede lid, onder sub b, onder 3
°van Bijlage II bij het Bor van toepassing is. Dat betekent dat voor de aanbouw voor wat betreft de activiteit ‘bouwen’ geen omgevingsvergunning vereist is. Dat er voor het mogelijk maken van de bouw van de aanbouw ook een constructieve wijziging in de achtergevel nodig is, betekent niet dat de aanbouw niet langer vergunningsvrij is. Ook het feit dat voor de constructieve doorbraak op zich wel een omgevingsvergunning nodig is doet daar niet aan af. Daar komt bij dat de derde-partij voor het maken van een constructieve doorbraak een omgevingsvergunning heeft aangevraagd en ook heeft verkregen. Deze omgevingsvergunning is verleend bij besluit van 6 maart 2023.
7.3.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht besloten dat voor de activiteit bouwen geen omgevingsvergunning is vereist.
Is een omgevingsvergunning vereist voor afwijking van het bestemmingsplan?
8. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan [bestemmingsplan] (het bestemmingsplan). Op het perceel is – voor zover van belang – de bestemming “Wonen-1” van toepassing en de bestemming “Waarde-Cultuurhistorie”.
9. De rechtbank stelt voorop dat de aanbouw qua bouwhoogte en maximaal bebouwingsoppervlak voldoet aan de bouwregels voor aan- en bijgebouwen als vastgelegd in artikel 19.2.2. van het bestemmingsplan.
10. Vanwege de bestemming “Waarde-Cultuurhistorie” is op het perceel ook artikel 25 van de planregels van het bestemmingsplan van toepassing. Artikel 25.1 strekt tot behoud en bescherming van de cultuurhistorische waarden van het Rijksbeschermd stadsgezicht ’s-Gravenhage (beschermd stadsgezicht), zoals beschreven in het Aanwijzingsbesluit van 26 juli 1996 (Aanwijzingsbesluit). Artikel 25.2 schrijft voor dat het bouwen moet plaatsvinden met inachtneming van de cultuurhistorische waarden als bedoeld in artikel 25.1. Het college heeft het standpunt ingenomen dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 25 van de regels van het bestemmingsplan. Het bouwplan is namelijk voorgelegd aan de Wmc en deze heeft geadviseerd dat het bouwplan geen aantasting betekent van het beschermd stadsgezicht. Het college heeft dit advies overgenomen. Bovendien, zo stelt het college, maakt het achtererfgebied weliswaar deel uit van het beschermde stadsgezicht, maar vertegenwoordigt dat geen specifiek te beschermen waarde in de toelichting bij het Aanwijzingsbesluit. Volgens het college was dan ook geen omgevingsvergunning nodig voor handelen in strijd met het bestemmingsplan in de zin van artikel 2.12 van de Wabo.
11. Eisers hebben aangevoerd dat het bouwplan wel in strijd is met artikel 25 van de regels van het bestemmingsplan omdat de aanbouw in strijd is met de te beschermen cultuurhistorische waarden en baseren zich daarbij met name op de passage in het Aanwijzingsbesluit waarin verwezen wordt naar het oude bestemmingsplan [bestemmingsplan] uit 1992
.In het oude bestemmingsplan is onder het kopje ‘woondoeleinden’ het belang onderschreven om de binnenterreinen zoveel mogelijk open te houden. Die waarde wordt volgens eisers dus in het Aanwijzingsbesluit ook nu beschermd onder het huidige bestemmingsplan. Door de aanbouw, zeker gelet op de hoogte daarvan, wordt die waarde aangetast. Volgens eisers klopt het dus ook niet dat het achtererfgebied niet binnen het beschermingsbereik van het beschermde stadsgezicht valt, zoals het college heeft gesteld. Verder is namens eisers II en III aangevoerd dat het advies van de Wmc innerlijk tegenstrijdig is en dat het college zich daar niet op heeft mogen baseren. In het eerste advies dat ging over het eerste bouwplan, was niet alleen het bouwvolume maar ook de hoogte van de aanbouw voor de Wmc aanleiding om de aanbouw niet in overeenstemming met de cultuurhistorische waarden van het beschermde stadsgezicht te bevinden. Dat maakt het laatste advies van de Wmc over het gewijzigde bouwplan onnavolgbaar volgens hen.
11.1.
Op 8 februari 2023 heeft de Wmc het volgende advies gegeven over het eerste bouwplan:

Niet akkoord. De commissie kan zich in beginsel een uitbouw voorstellen. Echter de nu voorgestelde uitbouw is in volumeopbouw niet passend binnen het beschermd stadgezicht. Door het ophogen en vergroten van de aanbouw wordt het kenmerkende open karakter van dit binnengebied te veel aantast. De nu voorgestelde L-vorm is hierbij niet passend. De commissie kan zich een meer vereenvoudigde en eenduidige volumeopbouw voorstellen.”.
11.2.
Op 19 april 2023 heeft de Wmc het volgende advies gegeven, na een wijziging in de bouwtekening:

Niet akkoord. Op 8 februari 2023 heeft de commissie ingestemd met een uitbouw aan de achterzijde van de woning, maar een eenduidigere volumeopbouw gevraagd. Het aangepaste voorstel heeft die eenduidigheid nog niet. De commissie ziet een L-vormige plattegrond, een afschuining van de ‘oksel’ en een schuin dak als van een serre. Het geheel is typologisch vreemd in deze omgeving. Dit beoordeelt de commissie als een verstoring van de bebouwingsstructuur van dit deel van het [stadsgezicht] .”.
11.3.
Op 28 juni 2023 heeft de Wmc het volgende advies gegeven, na opnieuw een wijziging in de bouwtekeningen:
“Akkoord. Eerdere voorstellen heeft de commissie negatief beoordeeld, vanwege een atypische samengestelde hoofdvorm. De nu voorgestelde nieuwe aanbouw aan de achterzijde van de woning bestaat uit een metselwerk verlenging van de smalle beuk met daarnaast een uitbreiding als de (oorspronkelijk) dubbele serre. Hiermee wordt aangesloten bij de bebouwingsstructuur en voegt de aanbouw zich logisch in de omgeving.”.
11.4.
Na wijziging van het bouwplan op 24 oktober 2023 heeft het college deze opnieuw voorgelegd aan de Wmc. Over het gewijzigde bouwplan heeft de Wmc het volgende advies gegeven:
“De commissie constateert dat de wijziging ten opzichte van het op 28 juni 2023 geaccordeerde voorstel de diepte van het metselwerk deel van de aanbouw is. Deze verlenging van de smalle beuk wordt ingekort. Het onderscheid tussen en de architectonische uitwerking van de twee delen – de gemetselde beuk en de serre – blijven gebieds- en architectuureigen.”.
11.5.
De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat het laatste advies van de Wmc onnavolgbaar is. Dat advies bouwt voort op het advies van 28 juni 2023. Daarin heeft de Wmc geoordeeld dat de aanbouw, na aanpassingen van het eerder voorgestelde bouwplan – dat in het daaraan voorafgaande negatieve advies van 19 april 2023 door de commissie vanwege de volumeopbouw als een verstoring van de bebouwingsstructuur van dit deel van het [stadsgezicht] werd beoordeeld – wel passend is in de bebouwingsstructuur en zich logisch voegt in de omgeving. De Wmc heeft vervolgens in het laatste advies ook de laatste wijziging van het bouwplan van 24 oktober 2023 passend geacht in de architectuur van het gebied. De rechtbank leest in de adviezen van de Wmc dat de volumeopbouw en niet, zoals eisers betogen, de hoogte van de aanbouw doorslaggevend was voor de Wmc om het bouwplan niet in overeenstemming te achten met het beschermde stadsgezicht.
11.6.
Verder gaat de rechtbank niet mee in de redenering van eisers dat aan de waarden uit het oude bestemmingsplan moet worden getoetst. Het gaat erom of er strijd is met het huidige bestemmingsplan en dat is niet het geval. Uit het Aanwijzingsbesluit volgt dat het karakter van [de wijk] is gelegen in de stedenbouwkundige opzet van de wijk, met fraaie lanen en pleinen, en gaaf bewaarde gebleven ensemble. De wijk is als zodanig van belang wegens stedenbouwkundige en architectuurhistorische waarden. Typerend voor de wijk zijn:
- het hoogwaardige stadsbeeld met zijn bijzondere panden in vroeg 20e-eeuwse overgangsarchitectuur die een vrijwel gaaf ensemble vormen;
- de oorspronkelijke planmatige aanleg van de woonwijk die op een hoog peil
is gebleven ondanks de wijzigingen aan de rand van de wijk;
- het stratenpatroon met de lange zichtassen en de pleinvormige kruisingen;
gecombineerd met de levendige en rijk gedetailleerde homogene architectuur geven deze wijk een buitengewone identiteit;
- de ruimtelijke kwaliteit van [plein 1] , [plein 2] en [plein 3]
;
- de laanbeplanting in de middenstrook van de [straatnaam 1] , [straatnaam 2] , [straatnaam 3] , [straatnaam 4] , [straatnaam 5] en (voor een deel nog) [straatnaam 6] en [straatnaam 7] is een belangrijk structuur ondersteunend element;
- de historische en landschappelijke waarde van de [straatnaam 8] en hierdoor de relatie met het [park] , en de open ruimte van het Afvoerkanaal.
Gelet op de beschrijving van de te beschermen cultuurhistorische waarden, kan de rechtbank het college volgen in de redenering dat het Aanwijzingsbesluit niet specifiek ziet op bescherming van het achtererfgebied. Dat de aanbouw volgens eisers het open karakter van het binnenterrein aantast, kan dus niet leiden tot een ander oordeel.
11.7.
Het college heeft gelet op het voorgaande dus terecht aangenomen dat er geen sprake is van strijd met de cultuurhistorische waarden van het beschermde stadsgezicht. Dat betekent dat er dus ook geen omgevingsvergunning vereist is voor het handelen in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.12 van de Wabo.
11.8.
Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat voor het bouwplan geen omgevingsvergunning vereist is, niet voor de activiteit onder artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wabo en evenmin voor de activiteit onder artikel 2.1, eerste lid onder c van de Wabo, is het college terecht overgegaan tot intrekking van de eerder verleende omgevingsvergunning.
Overige punten
12. Verder heeft eiser I aangevoerd dat de aanbouw in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Eiser stelt dat er bij geen enkel herenhuis in het ensemble ‘ [ensemble] ’ een aanbouw op het achtererf aanwezig is van 4 meter hoog. Hij heeft gewezen op passages uit de Welstandsnota 2017. Daarnaast heeft eiser I aangevoerd dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering omdat er een erfdienstbaarheid van kracht is die voorkomt dat er aanbouwen worden geplaatst.
13. De rechtbank komt aan de grond over de redelijke eisen van welstand niet toe, nu geen sprake is van een vergunningplicht voor de activiteit bouwen. De rechtbank komt evenmin toe aan een boordeling van de vraag of er sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, nu ook geen omgevingsvergunning nodig is voor afwijken van het bestemmingsplan en er geen belangenafweging aan de orde is. Eisers kunnen zich desgewenst tot de civiele rechter wenden.
14. Hetgeen overigens door eisers is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Conclusie en gevolgen
15. Uit het voorgaande volgt dat de beroepen ongegrond zijn. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Al-Qaq, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden (voor zover hier van belang), zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.
Besluit omgevingsrecht
Ingevolge artikel 3, eerste lid van Bijlage II bij het Bor, is een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op: een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m,
b. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,
c. de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag, en
d. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
Het achtste lid, onder a luidt:
een verandering van een bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. geen verandering van de draagconstructie,
(…).
Ingevolge artikel 4a, tweede lid onder sub b van Bijlage II van het Bor zijn onverminderd artikel 5, de artikelen 2 en 3 slechts van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in een beschermd stads- of dorpsgezicht, voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in:
b. artikel 2, onderdelen 4 tot en met 21, of artikel 3 voor zover het betreft:
1°.inpandige veranderingen,
2°.een verandering van een achtergevel of achterdakvlak, mits die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd,
3°.een bouwwerk op erf aan de achterkant van een hoofdgebouw, mits dat erf niet ook deel uitmaakt van het erf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd, of
4°.een bouwwerk op gronden die onderdeel zijn van openbaar toegankelijk gebied.
Bestemmingsplan [bestemmingsplan]
De bestemmingsomschrijving uit artikel 25.1 luidt: “De voor ‘Waarde – Cultuurhistorie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 26, mede bestemd voor:
a. behoud en bescherming van de cultuurhistorische waarden van het Rijksbeschermd stadsgezicht 's-Gravenhage, zoals beschreven in het aanwijzingsbesluit van 26 juli 1996 met de bijbehorende toelichting, als opgenomen in de bijlagen 6, 7 en 8 bij de regels van dit plan;
b. behoud en bescherming van karakteristieke panden of ensembles zoals opgenomen in bijlage 12 bij de regels van dit plan.”
Artikel 25.2 luidt (voor zover van belang): “Voor het bouwen binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ als bedoeld in artikel 25.1 gelden de volgende regels:
a. het bouwen moet plaatsvinden met inachtneming van de cultuurhistorische waarden als bedoeld in artikel 25.1; (…).

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2677.
2.Verwezen is naar de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:99.