Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.[partij B] , te [woonplaats 2],
2.
[partij C], te [woonplaats 1],
3.
[partij D], te [woonplaats 3],
Rechtbank Den Haag
Op 30 december 2020 overleed erflater, die een testament had nagelaten waarin zijn partner en drie kinderen tot erfgenamen werden benoemd. De nalatenschap bevatte een woning en andere activa, maar was negatief door hoge schulden. De partner was benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder.
[Partij A] vorderde onder meer dat de nalatenschap volgens de wettelijke verdeling zou worden verdeeld en dat hij en zijn zussen hun wilsrechten konden uitoefenen. De partner stelde dat zij executeur was en dat het legaat op de woning aan haar toekwam, waarbij zij de schulden zou overnemen.
De rechtbank legde het testament uit en oordeelde dat het legaat aan de partner kan worden uitgekeerd, ook al leidt dit tot een negatieve nalatenschap, omdat de partner de schulden voor haar rekening neemt. De quasi-quasi wettelijke verdeling kan plaatsvinden waarbij de partner de resterende nalatenschap ontvangt. De vorderingen van de kinderen tot wettelijke verdeling en wilsrechten werden afgewezen. Het beslag van [partij A] op de woning werd opgeheven om de afgifte van het legaat mogelijk te maken.
De rechtbank wees de overige vorderingen af en compenseerde de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De vorderingen van de erfgenamen worden afgewezen; de partner mag het legaat afgeven en de nalatenschap afwikkelen onder schuldenovername; het beslag op de woning wordt opgeheven.