ECLI:NL:RBDHA:2025:23081

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
09/066114-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping van verweer bewijsuitsluiting vanwege onrechtmatige doorzoeking in auto in drugslaboratoriumzaak

Op 5 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die samen met twee anderen betrokken was bij de productie van een grote hoeveelheid cocaïne in een professioneel ingericht drugslaboratorium. De verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk bereiden en aanwezig hebben van cocaïne, alsook van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne. Tijdens de rechtszittingen op 6 juni, 29 augustus en 21 november 2025 werd het bewijs gepresenteerd, waaronder chatberichten en getuigenverklaringen. De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging dat het bewijs onrechtmatig was verkregen door een onrechtmatige doorzoeking van de auto van een medeverdachte. De rechtbank oordeelde dat de doorzoeking rechtmatig was, omdat de medeverdachte toestemming had gegeven. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten en de impact op de volksgezondheid door de productie en handel in verdovende middelen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/066114-25
Datum uitspraak: 5 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 6 juni 2025, 29 augustus 2025 (alle pro forma) en 21 november 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.A. Kamphuis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. G.S.J. van Gestel naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 27 januari 2025 tot en met 2 maart 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
- een hoeveelheid cocaïne heeft bereid en bewerkt en
- een grote hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad,
zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 januari 2025 tot en met 2 maart 2025 te 's-Gravenhage en/of in de Dominicaanse Republiek, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheden cocaïne, in elk geval (telkens) een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet
en/of het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een of meer (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (telkens) een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet,
(telkens) een ander of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen
en/of
(telkens) zich of één of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen,
immers heeft/hebben verdachte en/of één of meer anderen:
- met één of meer personen (meermalen) (app)gesprekken gevoerd over de invoer/uitvoer en/of het vervoer van verdovende middelen naar Nederland en/of het uithalen van verdovende middelen,
- met één of meer personen (meermalen) (app)gesprekken gevoerd over de beschikbaarheid en/of prijs en/of (de wijze van) transport van verdovende middelen,
en/of
een voorwerp voorhanden gehad waarvan verdachte en/of zijn mededaders wist of ernstige reden had(den) te vermoeden dat dat voorwerp bestemd was tot het plegen van dat/die feit(en), te weten:
- een telefoon.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
De zaak tegen de verdachte is onderdeel van een strafrechtelijk onderzoek, genaamd Alamak.
Dat onderzoek is gestart nadat op 2 maart 2025 omstreeks 19:00 uur de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) werd aangehouden omdat in het voertuig waarin hij reed, te weten een personenauto van het merk Mercedes Benz, type C250, met het Duitse kenteken [kenteken] (hierna: de Mercedes C250), een blok met vermoedelijk cocaïne werd aangetroffen. De Mercedes C250 werd die dag door de politie gevolgd naar aanleiding van een ANPR-hit, omdat tijdens een controle van dit voertuig op 19 januari 2025 verschillende drugsstempels werden aangetroffen.
De verdachte (hierna ook: [de verdachte] ) werd tevens aangehouden omdat vlak voor de aanhouding van [medeverdachte 1] door verbalisanten werd gezien dat [medeverdachte 1] contact had met [de verdachte] . [medeverdachte 1] verklaarde voor zijn aanhouding ook dat het voertuig waarin hij reed van [de verdachte] was en dat hij de sleutel van de Mercedes C250 vlak voor zijn aanhouding aan [de verdachte] had afgegeven.
Na zijn aanhouding werd bij [de verdachte] – onder andere – een bos sleutels en de sleutel van de Mercedes C250 aangetroffen. De bos sleutels bleek te passen op de woning aan [adres] te Den Haag (hierna: [adres] ). In die woning werden vervolgens een drugslaboratorium en ruim 63 kilo cocaïne aangetroffen. Tevens werden in de woning [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) aangehouden.
Bij [de verdachte] en [medeverdachte 1] werden na hun aanhouding diverse mobiele telefoons met chatberichten in verschillende chatapplicaties aangetroffen.
Naar aanleiding van deze berichten is tevens het vermoeden ontstaan dat [de verdachte] en [medeverdachte 1] zich bezig zouden houden met de (internationale) handel in cocaïne.
De verdachte wordt in onderhavige strafzaak - kort samengevat - verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
- het (mede)plegen van de productie en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid cocaïne te 's-Gravenhage in de periode van 27 januari 2025 tot en met 2 maart 2025 (feit 1);
- het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de (internationale) handel in cocaïne te 's-Gravenhage en/of in de Dominicaanse Republiek in de periode van 23 januari 2025 tot en met 2 maart 2025 (feit 2).
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair vrijspraak van de tenlastegelegde feiten bepleit, nu er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Volgens de raadsman is de doorzoeking in de Mercedes C250 onrechtmatig en als gevolg daarvan moet het daaruit voortvloeiende belastende materiaal van het bewijs worden uitgesloten.
Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte een hoeveelheid van 48,60 kilogram cocaïne aanwezig heeft gehad. Van het bezit van de overige aangetroffen hoeveelheden cocaïne in de woning aan [adres] en het bereiden en bewerken van cocaïne moet de verdachte (partieel) vrijgesproken worden. Ook ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Voor zover nodig zal de rechtbank hieronder ingaan op de verweren van de raadsman.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft
in de bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen
3.5.1
Verweer onrechtmatig verkregen bewijs
Op grond van het dossier leidt de rechtbank met betrekking tot de gang van zaken ten aanzien van de doorzoeking in de Mercedes C250 het navolgende af.
Verbalisanten zagen op 2 maart 2025 omstreeks 16:06 uur naar aanleiding van een ANPR-hit de Mercedes C250 rijden op de A2 te hoogte van Abcoude. Het voertuig reed vervolgens via de A2 en A10 naar de Bellamystraat in Amsterdam. Verbalisanten constateerden toen dat er één persoon in het voertuig zat, naar later bleek [medeverdachte 1] . Omstreeks 16:24 uur stapte [medeverdachte 1] uit en liep hij doelloos rond in de Van Effenstraat, terwijl hij aan het (video)bellen was en diverse malen zijn mobiele telefoon op het straatnaambordje richtte. Hij stapte omstreeks 16:36 uur weer in de Mercedes C250. Het voertuig reed daarna via de A10 en de A4 naar Den Haag en omstreeks 17:25 uur parkeerde hij het voertuig op de Van Effenstraat in Den Haag. [medeverdachte 1] stapte uit het voertuig en liep rondjes in de wijk, terwijl hij de hele tijd bezig was op zijn mobiele telefoon. Omstreeks 18:06 uur zagen verbalisanten dat hij contact maakte met een man, naar later bleek [de verdachte] . Zij liepen samen in de richting van de Betje Wolffstraat. [medeverdachte 1] liep de aldaar gelegen Albert Heijn in en [de verdachte] vervolgde zijn weg in de richting van de Rhijnvis Feithlaan.
[de verdachte] werd vervolgens staande gehouden. Omstreeks 18:25 uur werd bij hem de sleutel van de Mercedes C250 aangetroffen.
Tijdens de staandehouding van [de verdachte] werd ook [medeverdachte 1] staande gehouden. Hij gaf desgevraagd toestemming om de Mercedes C250 te doorzoeken.
In de Mercedes C250 werd vervolgens een blok met vermoedelijk cocaïne aangetroffen, waarna [medeverdachte 1] en [de verdachte] omstreeks 19:00 uur werden aangehouden.
Gelet op vorenstaande gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat de verbalisanten er van mochten uitgaan dat [medeverdachte 1] toestemming mocht en kon geven voor een doorzoeking in de Mercedes C250. [medeverdachte 1] was die dag immers gedurende de observatie door de verbalisanten de enige gebruiker van de Mercedes C250 geweest en hij mocht daarom door de verbalisanten als de rechtmatige gebruiker of houder van de Mercedes C250 worden aangemerkt. De toestemming van [medeverdachte 1] om de Mercedes C250 te doorzoeken en daarmee de doorzoeking in de Mercedes C250 is dan ook rechtmatig.
De verweren van de raadsman worden daarom verworpen en de rechtbank ziet geen aanleiding om tot bewijsuitsluiting te komen.
3.5.2
Ten aanzien van feit 1
Op grond van de bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, op 2 maart 2025 samen met [medeverdachte 1] , een blok cocaïne met een gewicht van 630 gram dat in de Mercedes C250 werd aangetroffen, aanwezig heeft gehad. De verdachte heeft dit ook bekend.
Anders dan de verklaring van de verdachte gaat de rechtbank er vanuit dat het blok cocaïne door [medeverdachte 1] in de Mercedes C250 vanuit België naar Nederland is vervoerd.
De rechtbank verwijst daarbij naar de chatberichten tussen de verdachte en [medeverdachte 1] op 2 maart 2025. De verdachte heeft op 2 maart 2025 aan [medeverdachte 1] gevraagd of hij de “klus” kan doen, waarna [medeverdachte 1] heeft bericht dat [naam 1] “alles” moet meenemen. De rechtbank gaat er vanuit dat hier sprake is van verbloemd taalgebruik met betrekking tot het vervoeren van het blok cocaïne vanuit België naar Nederland.
Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dan ook dat zowel de verdachte als [medeverdachte 1] op de hoogte waren van het blok cocaïne en dat zij willens en wetens dit blok cocaïne vanuit België naar Nederland hebben vervoerd.
De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van de verdachte dat hij het blok cocaïne pas in de auto heeft gestopt, nadat [medeverdachte 1] op 2 maart 2025 de Mercedes C250 in de Van Effenstraat in Den Haag had geparkeerd. Verbalisanten hebben die dag tot in detail alles gevolgd en hebben niet geobserveerd dat de verdachte handelingen bij de kofferbak van de Mercedes C250 heeft verricht. Ook volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte de sleutels van de Mercedes C250 pas tijdens de ontmoeting met [medeverdachte 1] in Den Haag heeft gekregen, en dat zij allebei kort daarna werden aangehouden door de politie. Voorts heeft de verdachte bij de politie verklaard dat het de bedoeling was dat hij in Den Haag het blok cocaïne uit de auto zou halen.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de verdachte ook verantwoordelijk kan worden gehouden voor de cocaïne en voor de goederen die in de woning aan de [adres] werden aangetroffen en die gerelateerd kunnen worden aan het produceren van cocaïne.
Gelet op de bevindingen van de Dienst LFO is de rechtbank van oordeel dat er in het pand sprake is geweest van een drugslaboratorium, waarin cocaïne werd bewerkt en verwerkt.
Uit het onderzoek naar de mobiele telefoon van de verdachte blijkt dat hij op 26 februari 2025 en op 1 maart 2025 een video heeft gemaakt van de drugs in de woning aan [adres] . De mobiele telefoon van de verdachte heeft vanaf 26 februari 2025 ook verschillende malen een zendmast in de directe omgeving van voornoemde woning aangestraald.
De rechtbank concludeert dan ook dat de verdachte vanaf 26 februari 2025 de wetenschap had over hetgeen in de woning aan de [adres] gebeurde, dat hij de beschikkingsmacht had over de goederen die in die woning lagen en dat er daarom een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte, [medeverdachte 2] , en [medeverdachte 3] bestond bij het bewerken en verwerken van cocaïne en bij het aanwezig hebben van de cocaïne die in de woning aan de [adres] lag. Daarbij neemt de rechtbank mede in overweging dat de verdachte in het bezit was van de sleutel van de woning en dat de verdachte heeft verklaard dat het de bedoeling was dat hij op 2 maart 2025 de drie sportassen met daarin cocaïne die in de woning aan de [adres] lagen, moest gaan vervoeren en afgeven in Rotterdam. Hij heeft toen ook één van de sporttassen vastgehouden en op één van de sporttassen werd een DNA-spoor van de verdachte aangetroffen. In de woning aan de De Lannoystraat werd tevens het identiteitsbewijs van de verdachte aangetroffen.
De verklaring van de verdachte dat hij zijn mobiele telefoon aan één van de twee personen in de woning heeft afgegeven en dat die persoon voornoemde video’s heeft gemaakt, acht de rechtbank onaannemelijk. De verdachte heeft bij de politie immers verklaard dat hij de enige gebruiker was van zijn mobiele telefoon en niet verklaard dat hij zijn mobiele telefoon weleens aan iemand anders heeft afgegeven. De rechtbank houdt de verdachte dan ook verantwoordelijk voor hetgeen in zijn eigen mobiele telefoon is aangetroffen.
De verdachte is daarom vanaf 26 februari 2025 willens en wetens met anderen betrokken geweest bij de grootschalige productie van cocaïne in een professioneel ingericht drugslaboratorium dat vrij toegankelijk was voor de verdachte.
De verweren van de raadsman dat de verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt, worden op grond van het vorenstaande verworpen.
Conclusie
De rechtbank acht het onder 1 tenlastegelegde feit – zoals hieronder onder 3.6 weergegeven – wettig en overtuigend bewezen.
3.5.3
Ten aanzien van feit 2
De verdachte wordt verweten dat hij – kort samengevat – in de periode van 23 januari 2025 tot en met 2 maart 2025 in
Den Haagen/of
de Dominicaanse Republiekvoorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de (internationale) handel in cocaïne. Het bewijs daarvoor zou bestaan uit de chatberichten die in de mobiele telefoons van de verdachte en [medeverdachte 1] werden aangetroffen.
Voorbereidingshandelingen productie en handel cocaïne
Uit het onderzoek in de mobiele telefoon van de verdachte blijkt dat hij vanaf 26 februari 2025 via de chat contact heeft gehad met verschillende personen, onder wie “ [naam 2] ”. In de chatgesprekken met “ [naam 2] ” werd informatie uitgewisseld met betrekking tot de handel in verdovende middelen. Hierbij werden onder andere foto’s van verdovende middelen uitgewisseld en informatie uitgewisseld over de kwaliteit, de beschikbaarheid en het vervoer van de verdovende middelen, en over de prijzen van de verdovende middelen. Tevens zijn de verstuurde foto’s te linken aan het drugslaboratorium aan [adres] . De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om eraan te twijfelen dat in de chatgesprekken wordt gesproken over cocaïne.
Zoals reeds overwogen ten aanzien van feit 1 gaat de rechtbank er vanuit dat de verdachte vanaf 26 februari 2025 in Den Haag was, aangezien hij op 26 februari 2025 en 1 maart 2025 video’s heeft gemaakt in [adres] , en dat hij de enige gebruiker was van zijn mobiele telefoon.
De rechtbank is op grond van bovenstaande van oordeel dat de verdachte vanaf 26 februari 2025 tot en met 2 maart 2025 in Den Haag voorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de productie en de handel in cocaïne.
Medeplegen
Uit de chats volgt dat de verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de hiervoor beschreven handelingen. Niet alleen was hij deelnemer aan de chats, wat mogelijk al voldoende is om tot de conclusie te komen dat sprake is van een nauwe en een bewuste samenwerking tussen de verdachte en “ [naam 2] ” aan de chats, maar de verdachte heeft ook actief deelgenomen aan de chats, waarbij hij informatie/foto’s heeft gevraagd of gedeeld.
De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de verdachte, samen met een ander, deze voorbereidingshandelingen heeft gepleegd.
Vrijspraak voorbereidingshandelingen invoer cocaïne
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode vanaf 26 februari 2025 voorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de invoer van cocaïne. Van dat onderdeel in de tenlastelegging wordt de verdachte vrijgesproken.
Vrijspraak tenlastegelegde periode vóór 26 februari 2025
De verdachte verbleef in deze periode niet in Nederland of de Dominicaanse Republiek, maar in Spanje. Er zijn geen aanwijzingen in het dossier dat de verdachte in de tenlastegelegde periode vóór 26 februari 2025 op enig moment in Den Haag of de Dominicaanse Republiek was. Ook volgt uit het dossier niet waar de tegencontacten van de verdachte zich bevonden ten tijde van het versturen of ontvangen van de chatberichten.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat van de aangetroffen chatgesprekken van vóór 26 februari 2025 niet vastgesteld kan worden dat de verdachte, dan wel de persoon met wie hij contact had, ten tijde van het verzenden of ontvangen daarvan zich in Den Haag en/of de Dominicaanse Republiek bevond, en dus ook niet dat er voorbereidingshandelingen hebben plaatsgevonden in Den Haag en/of de Dominicaanse Republiek, zoals thans is tenlastegelegd.
De verdachte wordt dan ook met betrekking tot feit 2
ten aanzien van de periode van vóór 26 februari 2025vrijgesproken.
Conclusie
De rechtbank acht het onder 2 tenlastegelegde feit – zoals hieronder onder 3.6 weergegeven – wettig en overtuigend bewezen.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij in de periode van
26 februari2025 tot en met 2 maart 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk
- een hoeveelheid cocaïne heeft bereid en bewerkt en
- een grote hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad,
zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij in de periode van
26 februari2025 tot en met 2 maart 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met
eenander, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten
het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen en vervoeren van hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne,
anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen
en zich of
eenander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen,
immers heeft verdachte:
- met
een persoon(app)gesprekken gevoerd over de beschikbaarheid en prijs en de wijze van transport van verdovende middelen,
en
een voorwerp voorhanden gehad waarvan verdachte wist dat dat voorwerp bestemd was tot het plegen van die feiten, te weten:
- een telefoon.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan de verdachte, gelet op zijn bekennende proceshouding, straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat de verdachte geen aanspraak kan maken op voorwaardelijke invrijheidstelling, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, dan wel maximaal 42 maanden op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
De verdachte is samen met twee anderen in een drugslaboratorium betrokken geweest bij de productie van een zeer grote hoeveelheid cocaïne. Dit drugslaboratorium was professioneel opgezet en ingericht voor het op grote schaal produceren van cocaïne. In het pand werd ook een grote hoeveelheid cocaïne, te weten ruim 63 kilo, aangetroffen. Voorts heeft de verdachte samen met een ander een blok cocaïne van 630 gram aanwezig gehad die in samenspraak met de medeverdachte vanuit België naar Nederland is vervoerd. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne.
Het is algemeen bekend dat verdovende middelen, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. De verdachte heeft bewust zijn medewerking verleend aan het productieproces en heeft door zich hiermee in te laten de volksgezondheid in gevaar gebracht. Bovendien leiden de handel in en het gebruik van verdovende middelen tot vele vormen van criminaliteit en overlast. De verdachte heeft zich om dit alles niet bekommerd en heeft slechts oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. Dat rekent de rechtbank de verdachte aan.
Het strafblad van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Nederlandse en het Duitse strafblad van de verdachte van respectievelijk 30 mei 2025 en 7 maart 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte in Duitsland eerder tot forse gevangenisstraffen is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden wederom soortgelijke feiten te plegen.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die een lange onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank acht na te melden straf passend en geboden.
Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist, nu de rechtbank ten aanzien van feit 2 een kortere periode bewezen heeft verklaard dan door de officier van justitie gevorderd. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met het ontbreken van een verblijfsstatus van de verdachte in Nederland, waardoor hij geen aanspraak kan maken op voorwaardelijke invrijheidstelling.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

7.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door
een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen
en
zich of een ander gelegenheid of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;
en
voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
4 (VIER) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.R. van Hattum, voorzitter,
mr. E.C. Kole, rechter,
mr. L.J. van den Herik, rechter,
in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 december 2025.