3.5.1Verweer onrechtmatig verkregen bewijs
Op grond van het dossier leidt de rechtbank met betrekking tot de gang van zaken ten aanzien van de doorzoeking in de Mercedes C250 het navolgende af.
Verbalisanten zagen op 2 maart 2025 omstreeks 16:06 uur naar aanleiding van een ANPR-hit de Mercedes C250 rijden op de A2 te hoogte van Abcoude. Het voertuig reed vervolgens via de A2 en A10 naar de Bellamystraat in Amsterdam. Verbalisanten constateerden toen dat er één persoon in het voertuig zat, naar later bleek [medeverdachte 1] . Omstreeks 16:24 uur stapte [medeverdachte 1] uit en liep hij doelloos rond in de Van Effenstraat, terwijl hij aan het (video)bellen was en diverse malen zijn mobiele telefoon op het straatnaambordje richtte. Hij stapte omstreeks 16:36 uur weer in de Mercedes C250. Het voertuig reed daarna via de A10 en de A4 naar Den Haag en omstreeks 17:25 uur parkeerde hij het voertuig op de Van Effenstraat in Den Haag. [medeverdachte 1] stapte uit het voertuig en liep rondjes in de wijk, terwijl hij de hele tijd bezig was op zijn mobiele telefoon. Omstreeks 18:06 uur zagen verbalisanten dat hij contact maakte met een man, naar later bleek [de verdachte] . Zij liepen samen in de richting van de Betje Wolffstraat. [medeverdachte 1] liep de aldaar gelegen Albert Heijn in en [de verdachte] vervolgde zijn weg in de richting van de Rhijnvis Feithlaan.
[de verdachte] werd vervolgens staande gehouden. Omstreeks 18:25 uur werd bij hem de sleutel van de Mercedes C250 aangetroffen.
Tijdens de staandehouding van [de verdachte] werd ook [medeverdachte 1] staande gehouden. Hij gaf desgevraagd toestemming om de Mercedes C250 te doorzoeken.
In de Mercedes C250 werd vervolgens een blok met vermoedelijk cocaïne aangetroffen, waarna [medeverdachte 1] en [de verdachte] omstreeks 19:00 uur werden aangehouden.
Gelet op vorenstaande gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat de verbalisanten er van mochten uitgaan dat [medeverdachte 1] toestemming mocht en kon geven voor een doorzoeking in de Mercedes C250. [medeverdachte 1] was die dag immers gedurende de observatie door de verbalisanten de enige gebruiker van de Mercedes C250 geweest en hij mocht daarom door de verbalisanten als de rechtmatige gebruiker of houder van de Mercedes C250 worden aangemerkt. De toestemming van [medeverdachte 1] om de Mercedes C250 te doorzoeken en daarmee de doorzoeking in de Mercedes C250 is dan ook rechtmatig.
De verweren van de raadsman worden daarom verworpen en de rechtbank ziet geen aanleiding om tot bewijsuitsluiting te komen.
3.5.2Ten aanzien van feit 1
Op grond van de bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, op 2 maart 2025 samen met [medeverdachte 1] , een blok cocaïne met een gewicht van 630 gram dat in de Mercedes C250 werd aangetroffen, aanwezig heeft gehad. De verdachte heeft dit ook bekend.
Anders dan de verklaring van de verdachte gaat de rechtbank er vanuit dat het blok cocaïne door [medeverdachte 1] in de Mercedes C250 vanuit België naar Nederland is vervoerd.
De rechtbank verwijst daarbij naar de chatberichten tussen de verdachte en [medeverdachte 1] op 2 maart 2025. De verdachte heeft op 2 maart 2025 aan [medeverdachte 1] gevraagd of hij de “klus” kan doen, waarna [medeverdachte 1] heeft bericht dat [naam 1] “alles” moet meenemen. De rechtbank gaat er vanuit dat hier sprake is van verbloemd taalgebruik met betrekking tot het vervoeren van het blok cocaïne vanuit België naar Nederland.
Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dan ook dat zowel de verdachte als [medeverdachte 1] op de hoogte waren van het blok cocaïne en dat zij willens en wetens dit blok cocaïne vanuit België naar Nederland hebben vervoerd.
De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van de verdachte dat hij het blok cocaïne pas in de auto heeft gestopt, nadat [medeverdachte 1] op 2 maart 2025 de Mercedes C250 in de Van Effenstraat in Den Haag had geparkeerd. Verbalisanten hebben die dag tot in detail alles gevolgd en hebben niet geobserveerd dat de verdachte handelingen bij de kofferbak van de Mercedes C250 heeft verricht. Ook volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte de sleutels van de Mercedes C250 pas tijdens de ontmoeting met [medeverdachte 1] in Den Haag heeft gekregen, en dat zij allebei kort daarna werden aangehouden door de politie. Voorts heeft de verdachte bij de politie verklaard dat het de bedoeling was dat hij in Den Haag het blok cocaïne uit de auto zou halen.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de verdachte ook verantwoordelijk kan worden gehouden voor de cocaïne en voor de goederen die in de woning aan de [adres] werden aangetroffen en die gerelateerd kunnen worden aan het produceren van cocaïne.
Gelet op de bevindingen van de Dienst LFO is de rechtbank van oordeel dat er in het pand sprake is geweest van een drugslaboratorium, waarin cocaïne werd bewerkt en verwerkt.
Uit het onderzoek naar de mobiele telefoon van de verdachte blijkt dat hij op 26 februari 2025 en op 1 maart 2025 een video heeft gemaakt van de drugs in de woning aan [adres] . De mobiele telefoon van de verdachte heeft vanaf 26 februari 2025 ook verschillende malen een zendmast in de directe omgeving van voornoemde woning aangestraald.
De rechtbank concludeert dan ook dat de verdachte vanaf 26 februari 2025 de wetenschap had over hetgeen in de woning aan de [adres] gebeurde, dat hij de beschikkingsmacht had over de goederen die in die woning lagen en dat er daarom een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte, [medeverdachte 2] , en [medeverdachte 3] bestond bij het bewerken en verwerken van cocaïne en bij het aanwezig hebben van de cocaïne die in de woning aan de [adres] lag. Daarbij neemt de rechtbank mede in overweging dat de verdachte in het bezit was van de sleutel van de woning en dat de verdachte heeft verklaard dat het de bedoeling was dat hij op 2 maart 2025 de drie sportassen met daarin cocaïne die in de woning aan de [adres] lagen, moest gaan vervoeren en afgeven in Rotterdam. Hij heeft toen ook één van de sporttassen vastgehouden en op één van de sporttassen werd een DNA-spoor van de verdachte aangetroffen. In de woning aan de De Lannoystraat werd tevens het identiteitsbewijs van de verdachte aangetroffen.
De verklaring van de verdachte dat hij zijn mobiele telefoon aan één van de twee personen in de woning heeft afgegeven en dat die persoon voornoemde video’s heeft gemaakt, acht de rechtbank onaannemelijk. De verdachte heeft bij de politie immers verklaard dat hij de enige gebruiker was van zijn mobiele telefoon en niet verklaard dat hij zijn mobiele telefoon weleens aan iemand anders heeft afgegeven. De rechtbank houdt de verdachte dan ook verantwoordelijk voor hetgeen in zijn eigen mobiele telefoon is aangetroffen.
De verdachte is daarom vanaf 26 februari 2025 willens en wetens met anderen betrokken geweest bij de grootschalige productie van cocaïne in een professioneel ingericht drugslaboratorium dat vrij toegankelijk was voor de verdachte.
De verweren van de raadsman dat de verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt, worden op grond van het vorenstaande verworpen.
Conclusie
De rechtbank acht het onder 1 tenlastegelegde feit – zoals hieronder onder 3.6 weergegeven – wettig en overtuigend bewezen.
3.5.3Ten aanzien van feit 2
De verdachte wordt verweten dat hij – kort samengevat – in de periode van 23 januari 2025 tot en met 2 maart 2025 in
Den Haagen/of
de Dominicaanse Republiekvoorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de (internationale) handel in cocaïne. Het bewijs daarvoor zou bestaan uit de chatberichten die in de mobiele telefoons van de verdachte en [medeverdachte 1] werden aangetroffen.
Voorbereidingshandelingen productie en handel cocaïne
Uit het onderzoek in de mobiele telefoon van de verdachte blijkt dat hij vanaf 26 februari 2025 via de chat contact heeft gehad met verschillende personen, onder wie “ [naam 2] ”. In de chatgesprekken met “ [naam 2] ” werd informatie uitgewisseld met betrekking tot de handel in verdovende middelen. Hierbij werden onder andere foto’s van verdovende middelen uitgewisseld en informatie uitgewisseld over de kwaliteit, de beschikbaarheid en het vervoer van de verdovende middelen, en over de prijzen van de verdovende middelen. Tevens zijn de verstuurde foto’s te linken aan het drugslaboratorium aan [adres] . De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om eraan te twijfelen dat in de chatgesprekken wordt gesproken over cocaïne.
Zoals reeds overwogen ten aanzien van feit 1 gaat de rechtbank er vanuit dat de verdachte vanaf 26 februari 2025 in Den Haag was, aangezien hij op 26 februari 2025 en 1 maart 2025 video’s heeft gemaakt in [adres] , en dat hij de enige gebruiker was van zijn mobiele telefoon.
De rechtbank is op grond van bovenstaande van oordeel dat de verdachte vanaf 26 februari 2025 tot en met 2 maart 2025 in Den Haag voorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de productie en de handel in cocaïne.
Medeplegen
Uit de chats volgt dat de verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de hiervoor beschreven handelingen. Niet alleen was hij deelnemer aan de chats, wat mogelijk al voldoende is om tot de conclusie te komen dat sprake is van een nauwe en een bewuste samenwerking tussen de verdachte en “ [naam 2] ” aan de chats, maar de verdachte heeft ook actief deelgenomen aan de chats, waarbij hij informatie/foto’s heeft gevraagd of gedeeld.
De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de verdachte, samen met een ander, deze voorbereidingshandelingen heeft gepleegd.
Vrijspraak voorbereidingshandelingen invoer cocaïne
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode vanaf 26 februari 2025 voorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de invoer van cocaïne. Van dat onderdeel in de tenlastelegging wordt de verdachte vrijgesproken.
Vrijspraak tenlastegelegde periode vóór 26 februari 2025
De verdachte verbleef in deze periode niet in Nederland of de Dominicaanse Republiek, maar in Spanje. Er zijn geen aanwijzingen in het dossier dat de verdachte in de tenlastegelegde periode vóór 26 februari 2025 op enig moment in Den Haag of de Dominicaanse Republiek was. Ook volgt uit het dossier niet waar de tegencontacten van de verdachte zich bevonden ten tijde van het versturen of ontvangen van de chatberichten.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat van de aangetroffen chatgesprekken van vóór 26 februari 2025 niet vastgesteld kan worden dat de verdachte, dan wel de persoon met wie hij contact had, ten tijde van het verzenden of ontvangen daarvan zich in Den Haag en/of de Dominicaanse Republiek bevond, en dus ook niet dat er voorbereidingshandelingen hebben plaatsgevonden in Den Haag en/of de Dominicaanse Republiek, zoals thans is tenlastegelegd.
De verdachte wordt dan ook met betrekking tot feit 2
ten aanzien van de periode van vóór 26 februari 2025vrijgesproken.
Conclusie
De rechtbank acht het onder 2 tenlastegelegde feit – zoals hieronder onder 3.6 weergegeven – wettig en overtuigend bewezen.