ECLI:NL:RBDHA:2025:23082

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
09/066122-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping verweer bewijsuitsluiting en vrijspraak voor betrokkenheid bij cocaïneproductie

Op 5 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en het plegen van voorbereidingshandelingen voor de internationale handel in cocaïne. De verdachte, geboren in 1976 en zonder bekende woon- of verblijfplaats, werd op 2 maart 2025 aangehouden na een politieachtervolging waarbij in zijn auto, een Mercedes C250, een blok cocaïne van 630 gram werd aangetroffen. De rechtbank heeft het verweer van de verdediging verworpen dat de doorzoeking van de auto onrechtmatig was, en oordeelde dat de verdachte toestemming had gegeven voor de doorzoeking. De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte samen met een medeverdachte het blok cocaïne aanwezig had, maar sprak hem vrij van de andere tenlastegelegde feiten, waaronder de productie van cocaïne in een drugslaboratorium. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die geen binding had met Nederland of België en geen strafblad had.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/066122-25
Datum uitspraak: 5 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 6 juni 2025, 29 augustus 2025 (alle pro forma) en 21 november 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.A. Kamphuis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. N.F. Christiansen naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 27 januari 2025 tot en met 2 maart 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
- een hoeveelheid cocaïne heeft bereid en bewerkt en
- een grote hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad,
zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 oktober 2024 tot en met 2 maart 2025 te 's-Gravenhage en/of in de Dominicaanse Republiek, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheden cocaïne, in elk geval (telkens) een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet en/of
het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een of meer (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (telkens) een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet,
(telkens) een ander of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
(telkens) zich of één of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen,
immers heeft/hebben verdachte en/of één of meer anderen:
- met één of meer personen (meermalen) (app)gesprekken gevoerd over de invoer/uitvoer en/of het vervoer van verdovende middelen naar Nederland en/of het uithalen van verdovende middelen,
- met één of meer personen (meermalen) (app)gesprekken gevoerd over de beschikbaarheid en/of prijs en/of (de wijze van) transport van verdovende middelen,
en/of
(een) voorwerp(en) voorhanden gehad waarvan verdachte en/of zijn mededaders wist of ernstige reden had(den) te vermoeden dat die/dat voorwerp(en) bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), te weten:
- een telefoon en/of
- een auto (met een verborgen ruimte).

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
De zaak tegen de verdachte is onderdeel van een strafrechtelijk onderzoek, genaamd Alamak.
Dat onderzoek is gestart nadat op 2 maart 2025 omstreeks 19:00 uur de verdachte (hierna ook: [de verdachte] ) werd aangehouden omdat in het voertuig waarin hij reed, te weten een personenauto van het merk Mercedes Benz, type C250, met het Duitse kenteken [kenteken] (hierna: de Mercedes C250), een blok met vermoedelijk cocaïne werd aangetroffen. De Mercedes C250 werd die dag door de politie gevolgd naar aanleiding van een ANPR-hit, omdat tijdens een controle van dit voertuig op 19 januari 2025 verschillende drugsstempels werden aangetroffen.
De medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) werd tevens aangehouden omdat vlak voor de aanhouding van [de verdachte] door verbalisanten werd gezien dat [de verdachte] contact had met [medeverdachte 1] . [de verdachte] verklaarde voor zijn aanhouding ook dat het voertuig waarin hij reed van [medeverdachte 1] was en dat hij de sleutel van de Mercedes C250 vlak voor zijn aanhouding aan [medeverdachte 1] had afgegeven.
Na zijn aanhouding werd bij [medeverdachte 1] – onder andere – een bos sleutels en de sleutel van de Mercedes C250 aangetroffen. De bos sleutels bleek te passen op de woning aan [adres] te Den Haag (hierna: [adres] ). In die woning werden vervolgens een drugslaboratorium en ruim 63 kilo cocaïne aangetroffen. Tevens werden in de woning [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) aangehouden.
Bij [medeverdachte 1] en [de verdachte] werden na hun aanhouding diverse mobiele telefoons met chatberichten in verschillende chatapplicaties aangetroffen.
Naar aanleiding van deze berichten is tevens het vermoeden ontstaan dat [medeverdachte 1] en [de verdachte] zich bezig zouden houden met de (internationale) handel in cocaïne.
De verdachte wordt in onderhavige strafzaak - kort samengevat - verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
- het (mede)plegen van de productie en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid cocaïne te 's-Gravenhage in de periode van 27 januari 2025 tot en met 2 maart 2025 (feit 1);
- het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de (internationale) handel in cocaïne te 's-Gravenhage en/of in de Dominicaanse Republiek in de periode van 21 oktober 2024 tot en met 2 maart 2025 (feit 2).
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met dien verstande dat ten aanzien van feit 1 alleen wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] , een blok cocaïne van 630 gram dat in de Mercedes C250 werd aangetroffen, aanwezig heeft gehad. Van het bereiden, bewerken en het aanwezig hebben van de verdovende middelen die in [adres] werden aangetroffen, moet de verdachte (partieel) worden vrijgesproken.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit, nu er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Volgens de raadsvrouw is de doorzoeking in de Mercedes C250 onrechtmatig en als gevolg daarvan moet het daaruit voortvloeiende belastende materiaal van het bewijs worden uitgesloten.
Subsidiair heeft de raadsvrouw vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Voor zover nodig zal de rechtbank hieronder ingaan op de verweren van de raadsvrouw.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft
in de bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen
3.5.1
Verweer onrechtmatig verkregen bewijs
Op grond van het dossier leidt de rechtbank met betrekking tot de gang van zaken ten aanzien van de doorzoeking in de Mercedes C250 het navolgende af.
Verbalisanten zagen op 2 maart 2025 omstreeks 16:06 uur naar aanleiding van een ANPR-hit de Mercedes C250 rijden op de A2 te hoogte van Abcoude. Het voertuig reed vervolgens via de A2 en A10 naar de Bellamystraat in Amsterdam. Verbalisanten constateerde toen dat er één persoon in het voertuig zat, naar later bleek [de verdachte] . Omstreeks 16:24 uur stapte [de verdachte] uit en liep hij doelloos rond in de Van Effenstraat, terwijl hij aan het (video)bellen was en diverse malen zijn mobiele telefoon op het straatnaambordje richtte. Hij stapte omstreeks 16:36 uur weer in de Mercedes C250. Het voertuig reed daarna via de A10 en de A4 naar Den Haag en omstreeks 17:25 uur parkeerde hij het voertuig op de Van Effenstraat in Den Haag. [de verdachte] stapte uit het voertuig en liep rondjes in de wijk, terwijl hij de hele tijd bezig was op zijn mobiele telefoon. Omstreeks 18:06 uur zagen verbalisanten dat hij contact maakte met een man, naar later bleek [medeverdachte 1] . Zij liepen samen in de richting van de Betje Wolffstraat. [de verdachte] liep de aldaar gelegen Albert Heijn in en [medeverdachte 1] vervolgde zijn weg in de richting van de Rhijnvis Feithlaan.
[medeverdachte 1] werd vervolgens staande gehouden. Omstreeks 18:25 uur werd bij hem de sleutel van de Mercedes C250 aangetroffen.
Tijdens de staandehouding van [medeverdachte 1] werd ook [de verdachte] staande gehouden. Hij gaf desgevraagd toestemming om de Mercedes C250 te doorzoeken.
In de Mercedes C250 werd vervolgens een blok met vermoedelijk cocaïne aangetroffen, waarna [de verdachte] en [medeverdachte 1] omstreeks 19:00 uur werden aangehouden.
Gelet op vorenstaande gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat de verbalisanten er van mochten uitgaan dat [de verdachte] toestemming mocht en kon geven voor een doorzoeking in de Mercedes C250. [de verdachte] was die dag immers gedurende de observatie door de verbalisanten de enige gebruiker van de Mercedes C250 geweest en hij mocht daarom door de verbalisanten als de rechtmatige gebruiker of houder van de Mercedes C250 worden aangemerkt. De toestemming van [de verdachte] om de Mercedes C250 te doorzoeken en daarmee de doorzoeking in de Mercedes C250 is dan ook rechtmatig.
De verweren van de raadsvrouw worden daarom verworpen en de rechtbank ziet geen aanleiding om tot bewijsuitsluiting te komen.
3.5.2
Ten aanzien van feit 1
De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsvrouw – van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de (grootschalige) productie van, dan wel het aanwezig hebben van cocaïne in de woning aan [adres] te Den Haag. De rechtbank zal de verdachte van die onderdelen in de tenlastelegging vrijspreken.
Op grond van de bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, op 2 maart 2025 samen met [medeverdachte 1] , een blok cocaïne met een gewicht van 630 gram dat in de Mercedes C250 werd aangetroffen, aanwezig heeft gehad.
De rechtbank gaat ervan uit dat het blok cocaïne door de verdachte in de Mercedes C250 vanuit België naar Nederland is vervoerd. De rechtbank verwijst daarbij naar de chatberichten tussen de verdachte en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft op 2 maart 2025 aan de verdachte gevraagd of hij de “klus” kan doen, waarna de verdachte heeft bericht dat [naam] “alles” moet meenemen.
De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat met de “klus” alleen het rijden van de Mercedes C250 vanuit België naar Nederland en met “alles” diezelfde Mercedes C250 wordt bedoeld, onaannemelijk. De rechtbank gaat er vanuit dat hier sprake is van verbloemd taalgebruik met betrekking tot het vervoeren van het blok cocaïne vanuit België naar Nederland.
Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dan ook dat zowel de verdachte als [medeverdachte 1] op de hoogte waren van het blok cocaïne en dat zij willens en wetens dit blok cocaïne vanuit België naar Nederland hebben vervoerd.
De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij het blok cocaïne pas in de auto heeft gestopt, nadat de verdachte op 2 maart 2025 de Mercedes C250 in de Van Effenstraat in Den Haag had geparkeerd. Verbalisanten hebben die dag tot in detail alles gevolgd en hebben niet geobserveerd dat [medeverdachte 1] handelingen bij de kofferbak van de Mercedes C250 heeft verricht. Ook volgt uit de bewijsmiddelen dat [medeverdachte 1] de sleutels van de Mercedes C250 pas tijdens de ontmoeting met de verdachte in Den Haag heeft gekregen, en dat zij allebei kort daarna werden aangehouden door de politie. Voorts heeft [medeverdachte 1] bij de politie verklaard dat het de bedoeling was dat hij in Den Haag het blok cocaïne uit de auto zou halen.
De verweren van de raadsvrouw dat er bij de verdachte geen sprake was van wetenschap en opzet met betrekking tot het aanwezig hebben van het blok cocaïne worden dan ook verworpen.
Conclusie
De rechtbank acht het onder 1 tenlastegelegde feit – zoals hieronder onder 3.6 weergegeven – wettig en overtuigend bewezen.
3.5.3
Ten aanzien van feit 2
De verdachte wordt verweten dat hij – kort samengevat – in de periode van 21 oktober 2024 tot en met 2 maart 2025 in
Den Haagen/of
de Dominicaanse Republiekvoorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de (internationale) handel in cocaïne. Het bewijs daarvoor zou bestaan uit de chatberichten die in de mobiele telefoons van de verdachte en [medeverdachte 1] werden aangetroffen.
De verdachte verbleef ten tijde van de ten laste gelegde periode niet in Nederland of de Dominicaanse Republiek , maar (tijdelijk) in België. Er zijn geen aanwijzingen in het dossier dat de verdachte op enig moment ten tijde van de ten laste gelegde periode, met uitzondering van 2 maart 2025, in Den Haag of de Dominicaanse Republiek was. Ook volgt uit het dossier niet waar de tegencontacten van de verdachte zich bevonden ten tijde van het versturen of ontvangen van de chatberichten.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte, dan wel de persoon met wie hij contact had, ten tijde van het verzenden of ontvangen van de chatberichten zich in Den Haag en/of de Dominicaanse Republiek bevond, dan wel dat er voorbereidingshandelingen hebben plaatsgevonden in Den Haag en/of de Dominicaanse Republiek , zoals thans is tenlastegelegd.
De verdachte wordt dan ook van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij
op2 maart 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk
- een hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad,
zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, het blanco strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft met een ander een hoeveelheid van 630 gram cocaïne in zijn bezit gehad. Hij heeft deze cocaïne in samenspraak met de medeverdachte in een auto vanuit België naar Nederland vervoerd.
Het is algemeen bekend dat verdovende middelen, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. Bovendien leiden de handel in en het gebruik van verdovende middelen tot vele vormen van criminaliteit en overlast. De verdachte heeft zich om dit alles niet bekommerd en heeft slechts oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. Dat rekent de rechtbank de verdachte aan.
Het strafblad van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 30 mei 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte niet in aanraking is gekomen met politie of justitie.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 7 april 2025. Gelet op de ontkennende proceshouding van de verdachte kan de reclassering het risico op recidive niet inschatten. Voorts heeft de verdachte geen enkele binding met België of Nederland. De verdachte heeft geen verblijfsvergunning, geen inschrijfadres en geen werk/inkomen in Nederland of België. Zijn leven speelt zich normaalgesproken af in [plaats] . De reclassering ziet dan ook geen aanknopingspunten voor bijzondere voorwaarden en een toezicht.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
De rechtbank acht na te melden straf passend en geboden. Deze straf is lager dan door de officier van justitie gevorderd, nu de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst) onder 1 genoemde voorwerp zal worden teruggegeven aan de rechthebbende.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan met betrekking tot het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt.
De rechtbank zal daarom de bewaring van dit voorwerp ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen :
- 47 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
5 (VIJF) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten:
1
1 STK Personenauto
[kenteken]
(Omschrijving: Bouwjaar 2015, Zwart, merk: Mercedes).
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.R. van Hattum, voorzitter,
mr. E.C. Kole, rechter,
mr. L.J. van den Herik, rechter,
in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 december 2025.