ECLI:NL:RBDHA:2025:23107

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
NL25.39994 NL25.39999
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:55d Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet tijdig beslissen op aanvraag verblijfsvergunning asiel

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvragen op 28 maart 2024 en diende uiterlijk binnen zes maanden te beslissen. Eisers stelden de minister op 1 augustus 2025 in gebreke en dienden daarna beroep in.

De rechtbank oordeelt dat de minister niet tijdig heeft beslist en dat de beroepen gegrond zijn. Omdat eisers nog niet zijn gehoord over hun asielmotieven, legt de rechtbank een termijn van zestien weken op: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister de eisers horen, en binnen acht weken daarna de besluiten nemen.

Daarnaast wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank wijst ook een vergoeding van € 453,50 toe aan eisers voor proceskosten, rekening houdend met het inschakelen van professionele juridische hulp en de beperkte aard van het geschil.

De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en bepaalt dat de minister binnen de gestelde termijn alsnog moet beslissen. Eisers kunnen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een verzetschrift indienen als zij het niet eens zijn met deze uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een termijn en dwangsom op om alsnog binnen zestien weken te beslissen op de asielaanvragen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.39994 en NL25.39999
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser 1] en [eiser 2],
eisers, V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer] (gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend, omdat de minister volgens hen niet op tijd heeft beslist op hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvragen).

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaken niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2

Zijn de beroepen van eisers gegrond?

3. De minister heeft de aanvragen op 28 maart 2024 ontvangen. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvragen beslissen.3 Eisers hebben de minister op 1 augustus 2025 in gebreke gesteld. Eisers hebben meer dan twee weken na de ingebrekestellingen beroepen ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen. De
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.
beroepen zijn kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
4. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.4 In deze zaak is dit aan de orde.
5. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eisers nog niet zijn gehoord omtrent hun asielmotieven. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak gehoren omtrent de asielmotieven van eisers moet afnemen en binnen acht weken daarna de besluiten op de aanvragen bekend moet maken.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
6. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.5 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
7. Eisers hebben de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.
8. Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht.6 Dit is slechts anders als de minister vóór 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist én de minister eveneens vóór die datum in gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaken niet voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom niet vaststellen.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat de minister binnen zestien weken alsnog besluiten op de aanvragen bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
10. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag, omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift,
4 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
5 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
6 Stb. 2025, 96.
met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).
11. De rechtbank beschouwt deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Immers, hebben eisers dezelfde gemachtigde en dezelfde beroepsgronden en zij vermelden elkaar over en weer in de processtukken. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend.7 Dit geldt ook voor de te verbeuren rechterlijke dwangsom.8

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het met besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak nadere gehoren af te nemen en binnen acht weken na die nadere gehoren besluit op de aanvragen bekend te maken, in ieder geval
  • bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-, toe te kennen in zaaknummer NL25.39994;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 453,50, toe te kennen in zaaknummer NL25.39994.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.
7 Artikel 3 van Pro het Bpb.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 oktober 2025

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.