Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de omgevingsvergunning voor de bouw van twee woongebouwen aan het adres in Den Haag. Eiseressen betwisten de vergunning en voeren drie beroepsgronden aan, met name gericht op sociale veiligheid, parkeerbeleid en deelvervoercontracten.
De rechtbank oordeelt dat de vergunning van 18 december 2023 vernietigd moet worden omdat het bestemmingsplan waarop deze vergunning was gebaseerd op 20 december 2023 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is vernietigd. Hierdoor ontbreekt een goede ruimtelijke onderbouwing en is de vergunning ondeugdelijk.
Echter, omdat op 10 maart 2025 een nieuwe omgevingsvergunning is verleend op basis van een ander bestemmingsplan en deze vergunning onherroepelijk is geworden, blijven de rechtsgevolgen van de vernietigde vergunning in stand. De rechtbank gaat niet inhoudelijk in op de beroepsgronden die zien op de ruimtelijke inpasbaarheid, omdat deze inmiddels onherroepelijk zijn geregeld.
De rechtbank wijst het verzoek om het besluit van 10 maart 2025 als een 6:19-besluit te kwalificeren af, omdat dit een nieuwe aanvraag betreft met een andere grondslag en bestemmingsplan. Ten slotte wordt het griffierecht aan eiseressen vergoed, maar worden proceskosten niet toegewezen.