ECLI:NL:RBDHA:2025:23221

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
C/09/690921 / JE RK 25-1527
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarigen

De kinderrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 7 november 2025 besloten de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen te verlengen tot 20 november 2026. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd en aansluitend een machtiging verleend voor uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening.

De beslissing volgt op een verzoek van de gecertificeerde instelling, die de verlenging motiveerde met een incident van huiselijk geweld en kindermishandeling, terugvallen in alcoholgebruik door de ouders en een onveilige, instabiele thuissituatie. De kinderen vertonen gedragsproblematiek, emotieregulatieproblemen en trauma's die nog onvoldoende zijn verwerkt. De ouders zijn bereid tot hulp, maar momenteel niet in staat de bedreiging weg te nemen.

Tijdens de zitting met gesloten deuren sprak de kinderrechter met de kinderen en nam de moeder deel, terwijl de vader niet verscheen. De moeder stemde in met het verzoek en gaf aan zich te willen herstellen. De kinderrechter achtte verlenging noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding, en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen worden voor een jaar verlengd met een aansluitende machtiging tot plaatsing in een gezinsgerichte voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/690921 / JE RK 25-1527
Datum uitspraak: 7 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de ouders
wonende in [woonplaats] ,

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 september 2025;
- het bericht van de gecertificeerde instelling met bijlage van 6 oktober 2025;
- bericht van de gecertificeerde instelling van 6 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gedurende het huwelijk van de ouders geboren.
2.2.
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.
2.3.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in [instelling 1] , een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 november 2024 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 20 november 2025.
2.6.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 8 mei 2025 een machtiging verlengd [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 20 november 2025.
2.7.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 5 augustus 2025 een machtiging verleend [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder of een gezinsgerichte voorziening tot 20 november 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen en aansluitend machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorzien te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. Op 27 juli 2025 heeft er een incident plaatsgevonden, waarbij [minderjarige 2] huiselijk geweld en kindermishandeling heeft gemeld. De stiefvader en de moeder hebben de afgelopen periode meermaals een terugval gehad in alcohol gebruik. De meest recente terugval van de moeder was op 5 november 2025. Er is op 6 november 2025 een huisverbod aan de vader opgelegd. Het lukt de ouders niet om de vermoedens van huiselijk geweld, dan wel kindermishandeling weg te nemen. De kinderen hebben een gebrek aan vertrouwen in hun ouders, waardoor de relatie wankel is. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gestart met een behandeltraject om te werken aan hun emotieregulatie en het verwerken van de traumatische gebeurtenissen binnen het gezin. [minderjarige 1] laat op school gedragsproblematiek zien en er zijn zorgen over haar cognitieve vermogen. Zij vertoont zelfbepalend gedrag, kan haar emoties onvoldoende reguleren en heeft haar trauma’s onvoldoende kunnen verwerken. Ook [minderjarige 2] vertoont zelfbepalend gedrag en zij heeft geen inzicht in oorzaak en gevolg. [minderjarige 2] kan haar emoties onvoldoende reguleren en kan fysiek gewelddadig zijn richting anderen. [minderjarige 2] heeft geen contact met haar vader en wil geen omgangsregeling. Positief is dat de ouders van de kinderen houden en het beste voor hen willen. Zij staan open voor hulpverlening en adviezen en werken goed samen met de woongroep van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de gecertificeerde instelling. De terugvallen hebben een grote invloed op de gezinsdynamiek en dienen langdurig afwezig te blijven. De ouders moeten hun trauma’s verwerken om ervoor te zorgen dat er geen triggers zijn die leiden tot middelenmisbruik. Zij hebben hierbij ondersteuning vanuit de ondertoezichtstelling nodig. Er moet de komende periode onderzoek worden gedaan naar mogelijke hechtingsproblematiek bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zodat een verklaring voor hun gedrag geformuleerd kan worden en actieve, passende behandeling geboden kan worden. Dit is noodzakelijk voor een duurzaam herstel van de relatie tussen de kinderen en de ouders. Een thuisplaatsing is pas mogelijk als de kinderen en de ouders hun individuele behandeling gericht op traumaverwerking en emotieregulatie positief hebben afgerond. Als dit niet het geval is, zullen zij elkaars behandeltraject verstoren en de gezinspatronen niet kunnen doorbreken. De woongroep van de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is op de lange termijn niet passend, waardoor een alternatief in de vorm van een gezinshuis moet worden gevonden. Dit maakt een trajectmachtiging noodzakelijk. Er is een mogelijk gezinshuis in beeld, maar voordat de kinderen daarheen kunnen moet er wel een school voor hen zijn gevonden.

4.De standpunten

4.1.
Door de moeder is ingestemd met het verzochte. Zij heeft er spijt van dat zij op 5 november 2025 heeft gedronken. Zij had eerder op de dag een gesprek met een van de begeleiders van [instelling 2] waar zij een goede band mee heeft. Deze begeleider heeft aangegeven weg te gaan. De moeder kon niet goed omgaan met dit nieuws en heeft toen een klein flesje wijn leeggedronken. Zij functioneerde nog normaal en nam daarom op toen [minderjarige 2] belde. [minderjarige 2] vroeg wat er aan de hand was en heeft wellicht gehoord dat de vader boos was dat de moeder gedronken had. Zij heeft het toen groter gemaakt en de politie gebeld. De politie heeft de vader een huisverbod gegeven van tien dagen, terwijl er geen sprake is geweest van geweld. De moeder is van plan om zichzelf weer te herpakken, zodat zij weer een moeder voor de kinderen kan zijn. De moeder is daar de afgelopen periode ook druk mee bezig geweest. De moeder en de vader zijn blij dat de kinderen waarschijnlijk naar een gezinshuis gaan. De moeder vindt het belangrijk dat de kinderen weer buiten kunnen spelen en met andere kinderen kunnen afspreken. Ook kunnen de kinderen dan weer gaan sporten. De moeder vindt het bovendien erg belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samen kunnen blijven wonen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Beide kinderen vertonen zelfbepalend gedrag, emotieregulatie- en gedragsproblematiek. Het lijkt erop dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de gebeurtenissen in het gezin nog onvoldoende hebben kunnen verwerken. Het is positief dat hun behandeling recent gestart is en dat zij openstaan voor deze behandeling. Het is lastig voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat het in de thuissituatie bij hun ouders nog niet voldoende stabiel is. Hoewel de moeder en de vader voldoende bereid zijn, zijn zij momenteel onvoldoende in staat om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. Het is van groot belang dat zij een jeugdbeschermer hebben waar zij op terug kunnen vallen en die bij incidenten in hun belang handelt en hierover met hen praat. Gelet op het bovenstaande, is een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar noodzakelijk. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben stabiele woonsituatie nodig, ook voor de behandeling die zij ontvangen. De situatie thuis is nog onvoldoende veilig en stabiel. De kinderen zijn blij dat zij (zo snel mogelijk) naar een gezinshuis kunnen gaan. Dit maakt een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar noodzakelijk.
5.3.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 20 november 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 20 november 2025 en machtigt de gecertificeerde instelling aansluitend om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 20 november 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025 door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 24 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.