ECLI:NL:RBDHA:2025:23258

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
NL24.12065-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 31 ProcedurerichtlijnDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen kennelijk gegrond verklaring beroep niet tijdig beslissen asielaanvraag ongegrond verklaard

Geopposeerde heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 24 mei 2022. De rechtbank heeft bij uitspraak van 2 juli 2024 het beroep kennelijk gegrond verklaard op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De minister, opposant, stelde verzet in tegen deze uitspraak omdat hij meent niet te hebben kunnen reageren op aanvullende gronden van geopposeerde en betoogde dat de 21-maandentermijn niet was verstreken. De rechtbank heeft het verzet beoordeeld zonder zitting en geconcludeerd dat beide partijen zich voldoende over de kernvragen hebben kunnen uitlaten, waaronder de aanvang van de beslistermijn volgens de Dublinverordening en de Procedurerichtlijn.

De rechtbank oordeelt dat de minister geen recht had op nadere reactie op de aanvullende gronden en dat de eerdere jurisprudentie voldoende bekend was. Daarom is het beroep terecht kennelijk gegrond verklaard en wordt het verzet ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het verzet van de minister tegen de kennelijk gegrondverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak verzet en beroep

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12065 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, opposant/de minister,
(gemachtigde: F.P. Dalhuizen),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 juli 2024 in het geding tussen en uitspraak in de beroepszaak tussen
opposant/de minister en
[eiser]met V-nummer: [V-nummer] , geopposeerde/eiser (gemachtigde: M.H.R. de Boer).

Procesverloop

Geopposeerde heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 24 mei 2022.
Bij uitspraak van 2 juli 2024 heeft de rechtbank dat beroep kennelijk gegrond verklaard op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld op 13 augustus 2024. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.1

Overwegingen

De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie was gekomen dat op het moment van de ingebrekestelling de beslistermijn was verstreken.
In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is. Aan de inhoud
1. Artikel 8:55, vierde lid, van de Awb.
van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposant voert aan dat de rechtbank het beroep ten onrechte met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb kennelijk gegrond heeft verklaard. Opposant stelt hierbij dat hij niet heeft kunnen reageren op de aanvullende gronden van geopposeerde van 17 juni 2024. In die gronden beroept geopposeerde zich op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 6 december 2023.2 Deze uitspraak ging over de toepassing van artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn. Dit ging over het moment waarop de beslistermijn aanvangt wanneer er sprake is van een tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. Dat is van belang voor de vraag of op het moment van ingebrekestelling in het kader van het niet tijdig nemen van een besluit de beslistermijn wel was verstreken.
4. De opposant stelt dat dit geschilpunt nauw samenhangt met de vraag wanneer Nederland verantwoordelijk wordt overeenkomstig de Dublinverordening en de aanvang van de beslistermijn uit de Procedurerichtlijn. Dit is volgens opposant een inhoudelijke rechtsvraag. Hij voert aan dat hij in het verweerschrift van 24 april 2024 reeds had betoogd dat de 21-maandentermijn niet was verstreken.
5. Volgens opposant is hiermee geen sprake van een kennelijk gegrond beroep. Hij had in de gelegenheid moeten worden gesteld om te reageren op de aanvullende gronden van geopposeerde van 17 juni 2024 en de daarin aangehaalde uitspraak van 6 december 2023. Indien het verzoek slaagt, verzoekt opposant het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Indien de rechtbank tot een andere beoordeling komt, verzoekt opposant het beroep ter zitting te behandelen.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

6. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de aanvang van de beslistermijn als bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn een centrale rol speelt, omdat dat bepalend is voor de vraag of de ingebrekestelling niet te vroeg is gedaan. Daarbij is tevens van belang op welk moment Nederland verantwoordelijk wordt overeenkomstig de Dublinverordening.
7. Naar het oordeel van de rechtbank hebben beide partijen zich voldoende over deze vragen kunnen uitlaten. Dat opposant niet meer uitdrukkelijk de gelegenheid heeft gekregen om te reageren op de aanvullende gronden, waarin is verwezen naar de uitspraak van 6 december 2023, doet daar niet aan af. Deze uitspraak mocht bij opposant bekend worden verondersteld, nu deze uitspraak al een half jaar eerder was gedaan. Het was daarnaast evident die uitspraak van belang was voor de beoordeling in de onderhavige zaak. Ook zonder dat een beroep op de uitspraak was gedaan, had de rechtbank die uitspraak bij de beoordeling betrokken.
8. De rechtbank is dan ook van oordeel dat opposant niet de gelegenheid had moeten krijgen om nog nader te reageren op de aanvullen de gronden en de rechtbank heeft terecht geoordeeld dat, gelet op de stand van de jurisprudentie (die overigens tot op heden niet is gewijzigd), het beroep kennelijk gegrond is. Het verzet is dan ook ongegrond.

Beslissing

De rechtbank:
27 november 2025
- verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.