AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond verklaring beroep tegen verlenging maatregel van bewaring vreemdeling
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, is sinds 21 mei 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft de maatregel op 14 november 2025 met maximaal twaalf maanden verlengd. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren en de verlenging van de maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De gemachtigde van eiser was niet aanwezig bij de zitting op 2 december 2025 en had dit kort voor de zitting gemeld, zonder een waarnemer te regelen. Eiser was hiervan niet op de hoogte en werd ter zitting gehoord. De rechtbank betreurde de handelwijze van de gemachtigde en constateerde dat er geen beroepsgronden namens eiser waren aangevoerd.
De rechtbank oordeelde dat de verlenging van de maatregel rechtmatig was, omdat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting naar Algerije en geen geldig reisdocument bezit. Verweerder heeft voldoende inspanningen geleverd om het vertrek te realiseren, waaronder het aanvragen van een laissez-passer en het voeren van vertrekgesprekken. De rechtbank vond het verlengingsbesluit en het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.57013
Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] (V-nummer: [V-nummer]), eiser,
(gemachtigde: mr. J.L. Crutzen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).
Procesverloop
Verweerder heeft op 21 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Bij besluit van 14 november 2025 heeft verweerder de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd (het verlengingsbesluit).
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel en tegen het verlengingsbesluit beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft op 21 november 2025 een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier niet op gereageerd.
De gemachtigde van eiser heeft op 2 december 2025 om 10:08u, vlak voor de zitting, een bericht van verhindering aan het digitale dossier toegevoegd en zich in zijn beroepsgronden gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Als tolk is verschenen R. Achamlale. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1999 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. De autoriteiten van Algerije hebben voor eiser een laissez-passer (een lp) verstrekt onder de naam [naam], geboren op [geboortedatum] 1998.
2. De rechtbank merkt allereerst op dat zij betreurt dat de gemachtigde van eiser niet is verschenen ter zitting, terwijl eiser, zijn cliënt, hiervan niet op de hoogte was. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting telefonisch contact gelegd met de gemachtigde van eiser over zijn (pas zeer kort voor de zitting aangekondigde) afwezigheid. Ongeacht zijn reden voor afwezigheid, ontslaat dit de gemachtigde van eiser immers niet van zijn verplichting om de belangen van zijn cliënt op een zo goed mogelijke wijze te (laten) behartigen. De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd telefonisch laten weten dat er ook géén waarnemer ter zitting zal verschijnen. Eiser is ter zitting gehoord, waarbij is gebleken dat hij niet op de hoogte was van het feit dat zijn gemachtigde niet bij de zitting aanwezig zou zijn. Bovendien wist hij ook niet dat er reeds een vlucht voor hem gepland stond, terwijl het op de weg van de gemachtigde had gelegen om dit te signaleren in het digitale dossier én dit vervolgens met eiser te bespreken. Door deze gang van zaken was eiser zichtbaar ontdaan en werd de behandeling van de zaak op zitting bemoeilijkt. In de visie van de rechtbank is deze handelwijze van de betrokken gemachtigde kwalijk te noemen, temeer omdat dit incident niet op zichzelf staat. [1]
3. Nu de gemachtigde van eiser voorafgaand aan de zitting bovendien heeft gesteld zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank en niet ter zitting aanwezig was om daar eventuele beroepsgronden mondeling toe te lichten, stelt de rechtbank daarom vast dat de gemachtigde geen beroepsgronden namens eiser heeft aangevoerd tegen de verlenging van de maatregel van bewaring.
4. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [2] Uit artikel 94, zevende lid, eerste volzin, van die wet volgt dat hetzelfde geldt voor het verlengingsbesluit.
5. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. [3] Hieruit volgt dat de maatregel van bewaring rechtmatig was tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan de laatste uitspraak ten grondslag ligt. Daarom staat nu ter beoordeling of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 14 november 2025 op enig moment onrechtmatig is geworden en of verweerder vervolgens de maatregel van bewaring mocht verlengen.
6. Voor de verlenging van de maatregel van bewaring geldt verder op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw dat deze maatregel na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiser wordt voldaan aan de voorwaarden voor de verlenging van de maatregel van bewaring. Eiser heeft daar ook geen gronden tegen aangevoerd. De rechtbank stelt vast dat eiser geen geldig document heeft voor grensoverschrijding. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Daarnaast heeft verweerder voldoende toegelicht dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting. Eiser heeft meermaals en voor het laatst in het vertrekgesprek van 26 november 2025 bevestigd dat hij niet naar Algerije zal gaan en dat hij geen Algerijn is. Wanneer eiser zelf geen handelingen verricht om zijn terugkeer te bewerkstelligen, komt de langere duur van de bewaring ook voor rekening van eiser. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder zich voldoende heeft ingespannen en nog steeds inspant om het vertrek van eiser te bewerkstelligen. Op 25 juli 2025 is een lp-aanvraag gestart. Er werd elke drie weken schriftelijk gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten en er worden ook op regelmatige basis vertrekgesprekken met eiser gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder mocht concluderen dat aan de voorwaarden voor verlenging van de maatregel van bewaring is voldaan in het geval van eiser. Het feit dat de Algerijnse autoriteiten inmiddels op 21 november 2025 een lp hebben verstrekt voor eiser maakt het voorgaande niet anders.
8. In het verlengingsbesluit staat dat eiser op 21 mei 2025 in bewaring is gesteld, omdat er een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken en/of omdat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De zware en lichte gronden die ten grondslag zijn gelegd aan het verleningsbesluit zijn door eiser niet inhoudelijk bestreden. Ook de rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden samen het verlengingsbesluit niet kunnen dragen.
9. Eiser heeft ter zitting gesteld dat hij reeds meer dan zes maanden in vreemdelingrechtelijke bewaring verblijft zonder dat een lp voor hem is verstrekt. Uit de aanbiedingsbrief van verweerder van 1 december 2025 blijkt dat er inmiddels een lp voor eiser is verstrekt door de Algerijnse autoriteiten en dat een vlucht is geboekt die gepland staat op 13 december 2025. Zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is dan ook aanwezig. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat dit ook zo was op het moment dat het verlengingsbesluit werd genomen.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven te zien om te volstaan met een lichter middel. De gronden zoals die ten grondslag zijn gelegd aan de bewaring zijn nog steeds van toepassing. Uit deze gronden volgt dat er nog steeds een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Verder heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser niet actief en volledig meewerkt aan zijn terugkeer, omdat hij niet terug wil. Een lichter middel zal daarom niet doeltreffend zijn, omdat dit niet zal leiden tot het vertrek van eiser. De rechtbank begrijpt tot slot dat de lange periode van vreemdelingenbewaring eiser zwaar valt, maar dit maakt niet dat het voortduren en de verlenging van de maatregel van bewaring voor eiser onevenredig is (geworden). Daarvoor zijn verder ook geen (medische) omstandigheden gesteld of gebleken.
11. De rechtbank overweegt tot slot dat zij ook ambtshalve geen aanleiding ziet voor de conclusie dat het verlengingsbesluit dan wel het voortduren van de bewaring vanaf sluiting van het onderzoek in het vorige vervolgberoep onrechtmatig is.
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af..
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.W.M. Heyman, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.M.R.L. Kamp, griffier.De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 8 december 2025
RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist over het verlengingsbesluit, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking. Tegen deze uitspraak staat, voor zover daarbij is beslist over het voortduren van de bewaring, geen rechtsmiddel open.
Voetnoten
1.Ook bij de behandeling van NL25.43610 heeft de gemachtigde kort voor de zitting laten weten dat hij niet ter zitting zou verschijnen. Ook in die zaak was eiser hiervan niet op de hoogte en was er geen waarnemer geregeld.
2.Zie artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
3.Voor het laatst in de uitspraak van 19 november 2025 met zaaknummer NL25.54793.