ECLI:NL:RBDHA:2025:23335

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
25/4164
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid burgemeester tot oplegging van last onder dwangsom op basis van vermoedelijke drugshandel vanuit woning

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 4 december 2025, wordt het beroep van eiseres tegen een last onder dwangsom behandeld. De burgemeester van Den Haag had op 14 januari 2025 een last onder dwangsom opgelegd aan eiseres, omdat er vermoedens waren van drugshandel vanuit haar woning. Dit besluit volgde op een bestuurlijke rapportage van de politie, waarin meldingen van buurtbewoners en observaties van politie werden samengevoegd. Eiseres betwistte de beschuldigingen en voerde aan dat er geen drugs of bewijs van drugshandel in haar woning waren aangetroffen. De rechtbank oordeelde dat de burgemeester bevoegd was om de last onder dwangsom op te leggen, ook al waren er geen drugs aangetroffen. De rechtbank concludeerde dat de burgemeester op basis van de verzamelde feiten en omstandigheden, waaronder verklaringen van omwonenden en politieobservaties, aannemelijk kon maken dat er drugshandel vanuit de woning plaatsvond. Eiseres kreeg geen gelijk en het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de last onder dwangsom in stand bleef.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4164

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.M. Noorlander),
en

de burgemeester van Den Haag, verweerder

(gemachtigden: mr. J. Markerink en mr. G. Zwagemakers).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiseres tegen de last onder dwangsom die aan haar is opgelegd.
1.1
Bij besluit van 14 januari 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder een last onder dwangsom aan eiseres opgelegd. Deze last is opgelegd voor de duur van 12 maanden met een te verbeuren dwangsom van €5.000,- per overtreding, maximaal €10.000,-.
1.2
Met het bestreden besluit van 3 juni 2025 heeft verweerder – contrair aan het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (Acb) - het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.3
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres samen met haar begeleider [naam] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres woont op het adres [adres] in [plaats] . Op basis van meerdere meldingen van buurtbewoners, diverse politiemutaties, in processen-verbaal vastgelegde bevindingen en observaties van (onopvallende) politiesurveillance en verklaringen van afnemers van verdovende middelen vanaf 6 februari 2022, is een vermoeden ontstaan van drugshandel vanuit de woning van eiseres, met name via de brievenbus van de voordeur. De politie is hiertoe op 2 oktober 2024 middels een machtiging de woning van eiseres binnengetreden. Hierbij zijn geen handelshoeveelheid drugs of attributen voor drugshandel aangetroffen. Op 4 november 2024 heeft de wijkagent gesproken met eiseres en op 7 november 2024 heeft de wijkagent een buurtonderzoek uitgevoerd. Al deze bevindingen zijn beschreven in de bestuurlijke rapportage van 13 november 2024 die door de politie aan verweerder is toegezonden.
2.1
Bij het primaire besluit heeft verweerder op basis van de bevindingen in deze bestuurlijke rapportage een last onder dwangsom opgelegd aan eiseres voor de duur van een jaar, voor € 5.000,- per overtreding, met een maximum van € 10.000,-. Redengevend voor deze maatregel is dat alle feiten en omstandigheden die volgen uit de bestuurlijke rapportage tezamen bezien een gerechtvaardigd vermoeden opleveren dat er vanuit de woning van eiseres drugs werden verkocht, afgeleverd of verstrekt. Verweerder is op grond van artikel 13b Opiumwet bevoegd om handhavend op te treden jegens eiseres om hiermee de negatieve effecten van drugshandel te beëindigen en beëindigd te houden.
2.2
Na bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit heeft de Acb geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren. Verweerder heeft het bezwaar met een aanvullende motivering alsnog ongegrond verklaard bij het bestreden besluit. Verweerder overweegt daartoe dat de drugshandel voldoende aannemelijk is gemaakt en dat de Acb nauwelijks gemotiveerd heeft waarom de verklaringen, observaties en constateringen in samenhang bezien onvoldoende zouden zijn om de drugshandel vanuit de woning aannemelijk te achten. Verweerder heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter. [1]
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en heeft in beroep de volgende gronden aangevoerd.
3.1
Eiseres betwist uitdrukkelijk dat er drugshandel vanuit haar woning plaatsvindt of heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft videobeelden ingebracht die aantonen dat er geen drugs, geen geld en geen materiaal dat gebruikt wordt in de handel in drugs in haar woning zijn aangetroffen bij de inval door de politie. Deze videobeelden onderbouwen de bevindingen bij de huiszoeking en weerleggen de bewijswaarde van een van de meest betekenisvolle bewijsmiddelen, namelijk de belastende verklaring van een buurtbewoner die stelt te weten van drugshandel of -gebruik in de woning. Eiseres vermoedt dat deze verklaring afgelegd is door de ex-partner van de broer van eiseres, die in de buurt woont en waarmee zij gebrouilleerd is. Deze verklaring is dus niet betrouwbaar. Eiseres wijst er verder op dat in de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling sprake was van strafrechtelijke antecedenten en een verklaring van de bewoner zelf waaruit blijkt dat drugs bij hem aan de deur werden geleverd. Daarvan is bij eiseres geen sprake.
3.2
Verweerder kent daarnaast ten onrechte te weinig betekenis toe aan de ontlastende verklaringen en omstandigheden van eiseres in deze zaak. Eiseres heeft geen strafblad voor opiumdelicten en is zelf geen bekende harddrugsgebruiker. Eiseres heeft ook geen motief of belang om in drugs te handelen. Zij is een oudere vrouw met de nodige lichamelijke ongemakken en een vast inkomen. Ook de verklaring van de huishoudelijke hulp van eiseres die driemaal per week bij haar thuis is, heeft verweerder ten onrechte buiten beschouwing gelaten.
3.3
De observaties van de politie en de verklaringen uit het buurtonderzoek zijn volgens eiseres diffuus, tegenstrijdig en voor meerdere interpretaties vatbaar. Bij observaties en door buurtbewoners is nooit daadwerkelijk gezien dat er drugs zou zijn uitgewisseld. De bestuurlijke rapportage geeft geen blijk van letterlijke weergave van de verklaringen, de gestelde aanloop naar de woning is niet geobjectiveerd, de verklaringen daarover spreken elkaar tegen en onderbouwen niet dat er gedeald worden aan de voordeur of in het portiek.
3.4
Alles bij elkaar is het onderzoek door verweerder onvoldoende zorgvuldig uitgevoerd en is er in het dossier, zoals bevestigd door de Acb, onvoldoende ondersteuning om drugshandel vanuit de woning van eiseres aannemelijk te achten. Het ontlastende bewijs, bestaande uit de ingebrachte videobeelden, de bevindingen bij de politie-inval en de twee door eiseres ingebrachte getuigenverklaringen, worden ten onrechte gepasseerd en weggeredeneerd.
Wat zijn de regels?
4. In artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet staat dat de burgemeester bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
4.1.
In artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan ook een last onder dwangsom kan opleggen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bevoegd was om eiseres een last onder dwangsom op te leggen en dat verweerder in dit geval een last onder dwangsom mocht opleggen. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Is de burgermeester bevoegd om in dit geval handhavend op te treden?
5.1
Op grond van artikel 13b van de Opiumwet is de burgermeester bevoegd om handhavend op te treden, indien aannemelijk is dat in een woning drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt of daartoe aanwezig zijn. Uit vaste jurisprudentie [2] van de hoogste bestuursrechter volgt dat deze bepaling niet vereist dat de woning is binnengetreden en dat daarbij een bepaalde hoeveelheid drugs is aangetroffen. De burgemeester is dus ook bevoegd om artikel 13b Opiumwet toe te passen, indien geen drugs zijn aangetroffen in de woning, maar op grond van andere feiten en omstandigheden aannemelijk is dat drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt in de woning. Zo kan volgens jurisprudentie [3] van de hoogste bestuursrechter ook feitelijke handel in of vanuit een woning worden aangenomen op grond van politiewaarnemingen, meldingen en verklaringen van derden, zonder dat er in die woning een handelshoeveelheid drugs of attributen gerelateerd aan drugshandel zijn aangetroffen.
5.2
Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op basis van de bestuurlijke rapportage van 13 november 2024 mocht concluderen dat drugshandel vanuit de woning van eiseres aannemelijk is. Verweerder mocht op basis van deze bestuurlijke rapportage de conclusie trekken dat in de periode van 6 februari 2022 tot en met 7 november 2024 een beeld van structurele aanloop naar de woning van eiseres is geconstateerd van veelal ambtshalve bekende drugsgebruikers. Het gaat hierbij om kortstondige bezoeken die kenmerkend zijn voor drugsdeals. Daarbij was sprake van doorgifte van goederen door de brievenbus. De politie heeft diverse keren hetzelfde waargenomen als wat omwonenden hebben gemeld. Ook mocht verweerder in de conclusie betrekken dat bij ondervraging en controle van personen die in het portiek van eiseres haar woning zijn geweest, in het bezit waren van harddrugs en dat een afnemer waarbij drugs zijn aangetroffen, verklaard heeft bij de woning van eiseres drugs te hebben gekocht. Gelet op dit beeld van structurele aanloop, kortdurende bezoeken, doorgifte van goederen door de brievenbus, de verklaring van een afnemer en de aangetroffen drugs bij personen die in het portiek van eiseres haar woning zijn geweest, mocht verweerder concluderen dat drugshandel of - opslag aannemelijk is. De verklaring van eiseres dat slechts sigaretten en kleingeld door de brievenbus worden doorgegevens in dat licht niet geloofwaardig. De stelling dat de belastende verklaring van de buurtbewoner vermoedelijk de ex-partner van de broer van eiseres betrof, is verder niet onderbouwd. Wat daarvan ook zij, ook als deze verklaring niet zouden worden betrokken bij de onderbouwing van het besluit, dan nog heeft verweerder met de overige bewijsmiddelen aannemelijk gemaakt dat er sprake is van drugshandel vanuit de woning. De verklaring van de huishoudelijke hulp dat zij nooit iets heeft waargenomen dat met het kopen, verkopen of gebruik van drugs in huis te maken heeft, maakt dit niet anders.
5.3
Hoewel er dus geen drugs zijn aangetroffen bij het betreden van de woning van eiseres, zoals bevestigd is in de door eiseres overgelegde camerabeelden, en bij observaties niet is waargenomen dat er daadwerkelijk drugs zijn uitgewisseld, heeft verweerder - alle feiten en omstandigheden uit de bestuurlijke rapportage bij elkaar in samenhang bezien -mogen concluderen dat het aannemelijk is dat in de woning van eiseres drugs werden verkocht, afgeleverd of verstrekt. Overtreding van de Opiumwet in de woning van eiseres is hiermee aannemelijk en verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht bevoegd geacht om jegens eiseres handhavend op te treden. De beroepsgronden slagen niet.
Mocht verweerder in dit geval gebruik maken van zijn bevoegdheid?
5.4
De bevoegdheid tot het opleggen van een handhavingsbesluit, zoals een last onder dwangsom, op grond van artikel 13b, eerste lid van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat verweerder de betrokken belangen moet afwegen bij zijn besluit om deze bevoegdheid te gebruiken. Hierbij maakt verweerder gebruik van de Beleidsregel toepassing artikel 13b Opiumwet Den Haag 2023 (de Beleidsregel). Het is vervolgens aan de bestuursrechter om te toetsen of verweerder - na afweging van de betrokken belangen en in lijn met zijn eigen beleid - in redelijkheid tot de opgelegde maatregel heeft kunnen komen.
5.5
Volgens artikel 4 van de Beleidsregel wordt in beginsel volstaan met een waarschuwing of een last onder dwangsom aan de overtreder. Verweerder gaat op grond van het tweede lid van de Beleidsregel alleen over tot tijdelijke sluiting van een pand als dit noodzakelijk of evenredig is. De rechtbank acht dit geen kennelijk onredelijk beleid en stelt vast dat dit punt tussen partijen ook niet in geschil is.
5.6
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid en dat de opgelegde last onder dwangsom een noodzakelijke en evenwichtige maatregel is, gelet op de betrokken belangen van partijen. Verweerder mocht daartoe overwegen dat een waarschuwing in plaats van een last onder dwangsom geen toereikende maatregel is, gelet op de structurele aanloop en overlast die aannemelijk is gemaakt over een periode van 32 maanden. Nu een afnemer verklaard heeft drugs bij de woning van eiseres te hebben gekocht, er drugs zijn aangetroffen bij personen die in het portiek van de woning van eiseres zijn geweest en er meerdere doorgiften via de brievenbus zijn waargenomen, waarvoor eiseres geen geloofwaardige verklaring heeft, mocht verweerder aannemelijk achten dat de woning van eiseres een rol speelt in het drugscircuit en dat een waarschuwing alleen onvoldoende is om de openbare orde en het woon- en leefklimaat in en rondom de woning te beschermen. Verweerder mocht gelet daarop een last onder dwangsom een noodzakelijke maatregel achten om de gestelde belangen na te streven.
5.7
Daarnaast heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd waarom de maatregel van een last onder dwangsom een evenwichtige maatregel is gelet op de betrokken belangen. Verweerder heeft in zijn belangenafweging namelijk, naast het algemene belang, kenbaar betrokken dat eiseres vanwege haar hoge leeftijd en broze gezondheid onevenredig geraakt zou worden door een sluiting van haar woning die aangepast is op haar medische behoefte. Om die reden heeft verweerder voor het lichtere middel van een last onder dwangsom gekozen, waarbij de dwangsom bedoeld is als prikkel om een toekomstige overtreding te voorkomen. Eiseres wordt hierdoor weliswaar mogelijk belemmerd in haar sociale contacten, maar verweerder heeft het algemene belang gelet op de ernst van de feiten zwaarder mogen wegen. Alles bij elkaar in samenhang bezien heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat de gekozen maatregel een geschikt en evenredig middel is om de daarbij betrokken doelen, namelijk het herstellen van de openbare orde en het woon- en leefklimaat, te bereiken. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom die aan eiseres is opgelegd in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding voor de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Deze verzenddatum staat met een stempel hierboven weergegeven.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2593.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2593, rechtsoverweging 5.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2400, rechtsoverweging 5.1