ECLI:NL:RBDHA:2025:23343

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
C/09/694364 / KG ZA 25-1109
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:196 BWArt. 3:300 lid 2 BWArt. 7:900 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen over verdeling en toedeling woning na echtscheiding en beëindiging samenleving

Partijen, voormalig gehuwd en sinds 2017 gezamenlijk eigenaar van een woning, zijn in 2019 gescheiden waarbij een convenant werd opgesteld over de woning. In 2023 sloten zij een samenlevingsovereenkomst. Na beëindiging van de relatie in 2024 sloten zij in januari 2025 een herzien echtscheidingsconvenant waarin de vrouw de woning zou overnemen tegen een uitkoopbedrag van € 25.000 aan de man.

De man stelde dat hij bij het sluiten van deze overeenkomst had gedwaald over de waarde van de woning en de hypotheekschuld, en vernietigde de overeenkomst wegens dwaling en bedrog. De vrouw vorderde nakoming van de overeenkomst en medewerking aan levering van de woning, terwijl de man in reconventie vroeg om een gebruikelijke verdeling via taxatie en verkoop indien nodig.

De voorzieningenrechter oordeelde dat in kort geding niet kon worden vastgesteld wie gelijk had over de waarde en omstandigheden, dat de overeenkomst onjuiste hypotheekgegevens bevatte en dat de vorderingen van de vrouw onvoldoende kans van slagen hadden. Ook ontbrak het spoedeisend belang bij de vorderingen van de man. Daarom werden de vorderingen van beide partijen afgewezen en droegen zij ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van beide partijen af en bepaalt dat zij ieder hun eigen proceskosten dragen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/694364 / KG ZA 25-1109
Vonnis in kort geding van 4 december 2025
in de zaak van
[de vrouw]te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. M.M. van Wijk te Delft,
tegen:
[de man]te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. A.J. van Steensel te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 november 2025 met producties 1 tot en met 11;
- de door de vrouw overgelegde aanvullende productie 12;
- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2;
- de op 20 november 2025 gehouden mondelinge behandeling.
1.2.
Tijdens de zitting is de datum voor vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen zijn gehuwd op [datum] 2014. Sinds juni 2017 zijn partijen ieder voor de helft eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). Bij beschikking van 22 juli 2019 heeft de rechtbank Den Haag de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In de echtscheidingsbeschikking is het door partijen op 12 juni 2019 overeengekomen echtscheidingsconvenant opgenomen (hierna: het convenant). In het convenant is onder meer bepaald [1] :
  • partijen zijn gezamenlijk en voor gelijke delen eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats] waarvan de aankoop is gefinancierd met een hypothecaire geldlening;
  • de vrouw blijft wonen in die woning aan de [adres] te [plaats] ;
(…)
-
in verband met hun voorgenomen echtscheiding wensen zij de volgende afspraken vast te leggen voor het geval de echtscheiding tussen hen tot stand komt,
(…)
Artikel 6. De echtelijke woning
6.1
De echtelijke woning aan de [adres] te [postcode] [plaats] is door partijen gezamenlijk en voor gelijke delen gekocht en in eigendom verkregen in juni 2017 voor een koopsom van € 257.000 kosten koper. Partijen zijn voor de betaling van de koopsom en kosten een hypothecaire geldlening aangegaan bij Aegon Hypotheken BV in de vorm van een Aegon annuïteitenhypotheek tot een bedrag van € 265.125. De stand van de schuld per 1 juni 2019 beloopt € 254.262. (…)
6.2
Partijen zijn overeengekomen dat de woning wordt toebedeeld aan vrouw onder de verplichting om de hypothecaire financiering daarvan alleen te dragen en te bewerkstelligen dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Partijen stellen vast dat per de datum van de verdeling alle waardeveranderingen in positieve en in negatieve zin van de echtelijke woning uitsluitend de vrouw aangaan. De kosten van de toedeling van de woning aan de vrouw en de aanpassing van de financiering worden door partijen gezamenlijk gedragen en wel ieder voor de helft. (…)
6.5
Indien op 1 september 2019 vaststaat dat de vrouw niet in staat is de financiering van de echtelijke woning alleen te dragen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de thans bestaande hypothecaire geldlening, zullen partijen nader overleggen over de dan te nemen maatregelen. (…)”
2.2.
Op 31 juli 2019 is de echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Aan de afspraak uit het convenant met betrekking tot de woning werd vervolgens geen uitvoering gegeven. Partijen zijn samen blijven wonen en hebben op 12 oktober 2023 ten overstaan van de notaris mr. [de notaris] te Zoetermeer (hierna: de notaris) een samenlevingsovereenkomst (hierna: de samenlevingsovereenkomst) gesloten. Hierin is onder meer opgenomen:
VERDELING
Artikel 11.
Indien de overeenkomst eindigt tengevolge van opzegging of op grond van het bepaalde in artikel 9, zijn partijen verplicht er aan mede te werken dat aan iedere partij worden toebedeeld de zaken die hij heeft aangebracht.
Het overig gemeenschappelijk vermogen zal zo spoedig mogelijk door partijen bij helfte worden verdeeld.
(…)”
2.3.
In de jaren 2022 en 2023 zijn er nog twee verbouwingen uitgevoerd aan de woning. Hiervoor zijn partijen een extra hypotheekschuld van in totaal € 60.000,00 aangegaan.
2.4.
Eind 2024 heeft de man de relatie met de vrouw beëindigd. In dat kader hebben partijen op 27 januari 2025 een overeenkomst gesloten getiteld ‘HERZIEND ECHTSCHEIDINGSCONVENANT’ (hierna: de overeenkomst). Deze overeenkomst is in opdracht van zowel de vrouw als van de man opgesteld door financieel adviseur en tevens makelaar de heer [naam] (hierna: [naam] ). In de overeenkomst staat onder meer:
  • Het huwelijk is ontbonden bij beschikking van de Rechtbank Den Haag Team Familie op 22 juli 2019. In 2023 is een samenlevingscontract opgesteld
  • Partijen zijn van oordeel dat de samenleving is ontwricht, op grond waarvan zij ontbinding verzoeken.
  • Partijen wensen de gevolgen van de ontbinding van de samenleving, middel van dit convenant, tevens een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW Pro, als volgt te regelen:
(…)
2.
VERDELING GEMEENSCHAP
(…)
Partijen komen overeen dat de inboedel op € 0,- gewaardeerd worden. De man neemt zijn persoonlijke bezittingen mee alsmede een slaapbank.
(…)
2.3
Eigendom echtelijke woning
Partijen komen overeen in tegenstelling van het convenant opgesteld in 2019 en bekrachtigd door de Rechtbank in 2019 dat de vrouw weliswaar de woning wil overnemen maar daartoe bereid is om een uitkoop te voldoen aan de man ad € 25.000,- Na afronding van de uitkoop en het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man uit de hypotheek bij Aegon zal de man op zoek gaan naar een eigen koopwoning.”
De overeenkomst bevat een “Overzicht waardes en verdeling vermogensbestanddelen en schulden”. Volgens dit overzicht bedraagt per 23 januari 2025 de waarde van de woning € 495.000,00- en de hoogte van de hypotheekschuld € 325.000,00.
2.5.
[naam] heeft vervolgens de notaris benaderd met het verzoek om op basis van de laatste overeenkomst een concept akte van verdeling op te stellen. Op 29 juli 2025 heeft de notaris [naam] een e-mail gestuurd waarin onder meer staat:
“Ook verneem ik graag, op basis waarvan het bedrag aan over-/onderwaarde is vastgesteld. Immers, de vergoeding van € 25.000,00 komt niet overeen met de helft van de overwaarde (waarde woning minus hypotheekschuld) uit het convenant.”
2.6.
Op 6 augustus 2025 heeft [naam] de notaris per e-mail onder meer het volgende bericht:
“In principe geldt nog steeds dat meneer geen toebedeling krijgt conform de beschikking.
Mevrouw vindt dat ze meneer toch iets mee wil geven, zodoende is hierop een aanvullend convenant gemaakt op basis waarvan jij de akte van verdeling hebt gemaakt.”
2.7.
De notaris heeft aan partijen een op basis van de overeenkomst opgestelde akte van verdeling toegestuurd. De man heeft daarop niet gereageerd. De advocaat van de vrouw heeft op 17 oktober 2025 een brief naar de man gestuurd met daarin het verzoek c.q. de sommatie om medewerking te verlenen aan het passeren van de akte van verdeling. Namens de vrouw is in die brief tevens dit kort geding aangekondigd.
2.8.
Op 10 november 2025 heeft de advocaat van de man per brief gereageerd en de overeenkomst van 27 januari 2025 op grond van dwaling c.q. bedrog vernietigd. Volgens deze brief zou de man hebben gedwaald over de waarde van de gemeenschappelijke woning en de hoogte van de hypotheekschuld. Daarover zou de man door de vrouw dan wel [naam] bewust onjuist zijn geïnformeerd.
2.9.
Op 12 november 2025 is de dagvaarding in kort geding aan de man betekend.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te veroordelen tot medewerking aan levering van de woning aan de [adres] te [woonplaats] aan de vrouw tegen voldoening aan hem van een bedrag van € 25.000,00, welk bedrag de vrouw tijdig voorafgaand aan de levering op de kwaliteitsrekening van de notaris die akte zal passeren zal voldoen, alsmede onder de verplichting van de vrouw om de man te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld bij Aegon Hypotheken (thans ASR);
II. te bepalen dat indien de man niet binnen een redelijke termijn van twee werkdagen na betekening aan hem van dit vonnis zijn medewerking verleent aan de veroordeling zoals onder I. bedoeld, dit vonnis in de plaats komt van de medewerking van de man;
III. de man te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. In het kader van het beëindigen van de relatie zijn partijen met elkaar in gesprek gegaan. De man wilde de woning volgens de in het convenant gemaakte afspraken in eigendom aan de vrouw overdragen, omdat hij wilde dat zij in de woning kon blijven wonen. De vrouw wilde de man toch een bedrag meegeven en heeft via de hypotheekadviseur – de heer [naam] – voorgesteld dat zij een bedrag van € 25.000,00 aan de man zou voldoen. De man heeft dit geaccepteerd en vervolgens hebben partijen de vaststellingsovereenkomst getekend. De man heeft welbewust ingestemd met het overeengekomen bedrag. De man was verder op de hoogte van de actuele waarde van de woning, want in het kader van de tweede hypotheeklening is de woning nog getaxeerd. Bovendien mag verondersteld worden dat de man op de hoogte is van de ontwikkeling op de woningmarkt. Ook was de man bekend met de hoogte van de actuele stand van de hypotheekschuld. De man kan niet hebben gedwaald over de actuele overwaarde van de woning en de vrouw heeft hem evenmin bewust verkeerd geïnformeerd. Een beroep op dwaling is in het kader van een overeenkomst tot verdeling van een gemeenschappelijk goed bovendien niet mogelijk. De man dient de vaststellingsovereenkomst van 27 januari 2025 na te komen.
3.3.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4.
De man vordert – zakelijk weergegeven en samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de wijze van verdeling van de woning gelast en bepaalt dat partijen het gebruikelijke spoorboekje volgen, waarbij de waarde van de woning wordt bepaald door een taxateur en de vrouw eerst de mogelijkheid wordt geboden na te gaan of zij de woning, voor het getaxeerde bedrag, kan financieren. Indien de vrouw de woning kan financieren moet zij de hypothecaire geldlening geheel voor haar rekening nemen en als eigen schuld voldoen en de man doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening. Ook moet de vrouw de helft van de eventuele overwaarde, bestaande uit de taxatiewaarde na aftrek van de hypothecaire geldlening op het moment van notariële overdracht, aan de man vergoeden. Indien de vrouw de woning niet kan financieren moeten partijen opdracht geven aan een makelaar om de woning in de verkoop te zetten en moet de woning aan (een) derde(n) worden verkocht. De hypothecaire geldlening zal daarbij worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning, waarna de resterende verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen moet worden verdeeld dan wel ieder van partijen moet de helft van de restschuld dragen. Verder vordert de man dat dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw, indien de vrouw – kort gezegd – haar medewerking aan verkoop van de woning niet verleent. In ieder geval vordert de man dat de vrouw wordt veroordeeld om tot aan datum van juridische levering van de woning aan (een) derde(n) de aan de woning verbonden lasten geheel voor haar eigen rekening te nemen. Een en ander onder compensatie van de proceskosten.
3.5.
Hiertoe voert de man aan dat hij er geen bezwaar tegen heeft dat de woning aan de vrouw wordt toebedeeld, mits zij hem de helft van de werkelijke overwaarde betaalt en de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van hypothecaire geldschuld. De man volgt in zijn vorderingen in reconventie zoveel mogelijk de afspraken die partijen in de samenlevingsovereenkomst van 12 oktober 2023 ter zake de afwikkeling daarvan hebben gemaakt.
3.6.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

in conventie
4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de gevorderde voorlopige voorzieningen in dit kort geding alleen kunnen worden toegewezen als de vrouw daarbij een spoedeisend belang heeft, dat wil zeggen dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure moet afwachten. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding onder meer moet beoordelen of de vorderingen van de vrouw in een mogelijke bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat, vooruitlopend daarop, toewijzing van de gevorderde voorzieningen gerechtvaardigd is.
4.2.
Volgens de vrouw heeft zij een spoedeisend belang bij haar vorderingen omdat zij de financiering die nodig is om (het deel van de man in) de woning (te kopen, in beginsel rond heeft. De inkomensverklaring op basis waarvan zij de financiering heeft aangevraagd, is echter slechts tot 6 december 2025 geldig. Zij zal daarna een nieuwe aanvraag moeten doen, met alle administratieve rompslomp en bijkomende kosten van dien. Daarnaast wil zij verder met haar leven en dat lukt niet zolang de man mede-eigenaar is van de woning. Daarmee heeft de vrouw naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen.
4.3.
De vrouw vordert in conventie nakoming van de in de overeenkomst van 27 januari 2025 gemaakte afspraken. De man stelt zich onder meer op het standpunt dat de overeenkomst van 27 januari 2025 rechtsgeldig is vernietigd omdat bij de totstandkoming van die overeenkomst sprake is geweest van (i) dwaling in de zin van (zoals tijdens de mondelinge behandeling alsnog naar voren is gebracht) artikel 3:196 BW Pro, (ii) bedrog, en/of (iii) misbruik van omstandigheden. Tevens voert de man aan dat de bepalingen in de overeenkomst met betrekking tot de woning buiten toepassing moeten blijven omdat deze in de gegeven omstandigheden zouden leiden tot een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar resultaat. Bovendien zou toepassing van die bepalingen ertoe leiden dat sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw, aldus de man.
4.4.
De vrouw heeft ter zitting nader aangevoerd dat partijen voor ogen hadden om voort te borduren op het convenant van 2019 en dat zij zelf – in aanvulling daarop – aan de man heeft voorgesteld om € 25.000,00 aan hem te betalen. De man zou dit aanvankelijk niet hebben geaccepteerd, omdat hij bang was dat de vrouw daardoor niet in de woning zou kunnen blijven wonen. De vrouw heeft aangedrongen op de aanvullende afspraak en zodoende is de overeenkomst tot stand gekomen, aldus de vrouw. Dat de man zou hebben gedwaald, is volgens de vrouw onzin, omdat de relevante bedragen duidelijk in de overeenkomst staan. Dat die bedragen achteraf gezien niet helemaal correct zijn, doet daar volgens de vrouw niet aan af. Het was duidelijk dat de afgesproken € 25.000,00 minder was dan de daadwerkelijke overwaarde van de woning én de overwaarde volgens de in de overeenkomst opgenomen cijfers. De man heeft daar vervolgens welbewust zijn handtekening onder gezet en de vrouw mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de man daarmee tot uitdrukking bracht dat hij het eens was met de inhoud van de overeenkomst. Zo de man door de overeengekomen toedeling is benadeeld, zo begrijpt de voorzieningenrechter de stellingen van de vrouw, dan heeft hij die benadeling bewust aanvaard.
4.5.
De man heeft het voorgaande weersproken en ter zitting toegelicht dat er, na het beëindigen van de relatie, tussen hem, de vrouw en [naam] slechts één gesprek heeft plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is er volgens hem niet gesproken over een bedrag van € 25.000,00 en/of de waarde van de woning en/of een eventuele overwaarde op de woning. Ook is niet besproken dat de te verwachten overwaarde meer zou zijn dan die € 25.000,00. Volgens de man is evenmin gesproken over (de betekenis van) een vaststellingsovereenkomst. Tot slot was de man niet bekend met de hoogte van de werkelijke hypotheekschuld op dat moment.
4.6.
Na het gesprek heeft [naam] in opdracht van beide partijen de betreffende overeenkomst opgesteld. De overeenkomst is vervolgens ter ondertekening aan partijen voorgelegd. Volgens de man nam hij toen pas voor het eerst kennis van de daarin genoemde bedragen. Daarbij zou de man door [naam] zijn voorgehouden dat er “niks in de woning zou zitten” en dat de man daarom blij moest zijn met de door de vrouw aangeboden € 25.000,00. Daaruit leidde de man af dat er geen overwaarde op de woning zou zitten, of in ieder geval niet meer dan het aan hem aangeboden bedrag van € 25.000,00. Verder is de man uitgegaan van de juistheid van de bedragen in de door [naam] opgestelde overeenkomst. Hij liet de financiële zaken altijd aan de vrouw (en haar adviseur [naam] ) over en was ook niet op de hoogte van de waarde van de woning volgens het taxatierapport dat is opgesteld in verband met de verkrijging van de tweede hypotheek.
4.7.
[naam] heeft de man verzekerd dat hij met deze nieuwe overeenkomst een betere deal kreeg. Met die voorstelling van zaken en erop vertrouwend dat [naam] ook zíjn belangen behartigde, heeft de man de overeenkomst ter plekke getekend. Pas toen de man de mailwisseling met de notaris onder ogen kreeg, waarin de notaris opmerkte dat het bedrag van € 25.000,00 niet overeen kwam met de helft van de overwaarde, werd voor de man naar eigen zeggen bekend dat er mogelijk toch overwaarde op de woning zou zitten.
4.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat het bedrag dat in de overeenkomst is genoemd voor de hoogte van de hypotheekschuld (ook op het moment van het tekenen van de overeenkomst) onjuist is. De resterende hypotheekschuld zou volgens de overeenkomst € 325.000,00 bedragen, maar in werkelijkheid is die schuld (per 22 augustus 2025) slechts € 274.846,00. Daar komt bij dat de werkelijke waarde van de woning volgens de man geen € 495.000,00 bedraagt, zoals vermeld in de overeenkomst, maar ten minste € 520.000,00. Daarvan uitgaande bedraagt de overwaarde van de woning ongeveer € 245.000,00. Niet uitgesloten kan worden dat man zich hier ten volle van bewust is geweest toen hij de overeenkomst tekende, maar opmerkelijk is het wel, omdat hij op basis van de tot dan toe geldende samenlevingsovereenkomst aanspraak kon maken op de helft van dit bedrag (€ 122.500,00), wat bijna vijf keer zoveel is als het bedrag (€ 25.000,00) waarmee hij volgens de vrouw genoegen heeft genomen. Bij dit alles is van belang dat ingevolge artikel 3:196 lid 1 BW Pro een verdeling vernietigbaar is, wanneer een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer der te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld. Op grond van artikel 3:196 lid 2 BW Pro geldt bovendien dat wanneer een benadeling voor meer dan een vierde is bewezen, de benadeelde wordt vermoed over de waarde van een of meer der te verdelen goederen en schulden te hebben gedwaald. De voorzieningenrechter begrijpt het primaire standpunt van de man aldus dat voor zover de overeenkomst moet worden beschouwd als een verdeling, deze op grond van dwaling als bedoeld in artikel 3:196 lid 1 BW Pro is vernietigd of vernietigd moet worden. Als de overeenkomst al tevens moet worden beschouwd als een vaststellingsovereenkomst, dan staat die hoedanigheid er niet aan in de weg, zo heeft de man – terecht – betoogd, dat de overeenkomst ook dan op de voet van artikel 3:196 lid 1 BW Pro kan worden vernietigd.
4.9.
De lezing van partijen over de gang van zaken voorafgaand aan en tijdens het sluiten van de overeenkomst loopt volledig uiteen. Wie van partijen wat dat betreft gelijk heeft, kan de voorzieningenrechter, zonder nadere bewijslevering, waarvoor in kort geding geen plaats is, niet vaststellen. Feit is wel dat in de overeenkomst in elk geval een onjuist bedrag is opgenomen voor de resterende hypotheekschuld. Dit in combinatie met wat in 4.8 is overwogen, brengt mee dat niet kan worden uitgesloten dat de man in een eventuele bodemprocedure, al dan niet na bewijslevering, bijvoorbeeld door het horen van getuigen, in het gelijk zal worden gesteld. Dat zou tot gevolg hebben dat de overeenkomst, waarop de vrouw haar vorderingen heeft gegrond, rechtsgeldig vernietigd blijkt te zijn of alsnog wordt vernietigd.
4.10.
Al het voorgaande maakt dat de vorderingen van de vrouw naar het oordeel van de voorzieningenrechter in een bodemprocedure niet zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop, toewijzing in kort geding gerechtvaardigd is. Een afweging van de belangen van partijen leidt niet tot een andere beslissing. Hierbij weegt voor de voorzieningenrechter mee dat de vrouw thans in de woning verblijft en de man er geen bezwaar tegen heeft dat de vrouw voorlopig nog in de woning blijft wonen. Dat de financieringsaanvraag verloopt op 6 december 2025 en de vrouw vreest een nieuwe financieringsaanvraag met alle daarbij behorende administratieve rompslomp te moeten doen, is zeker vervelend voor haar, maar legt niet zoveel gewicht in de schaal dat de voorzieningenrechter op grond daarvan tot een ander oordeel komt.
4.11.
De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat de vorderingen van de vrouw in conventie moeten worden afgewezen.
in reconventie
4.12.
In reconventie vordert de man – kort gezegd – dat het gebruikelijke spoorboekje om tot een verdeling van de gemeenschap te komen, wordt gevolgd. Feitelijk komen de vorderingen van de man erop neer dat hij verlangt dat de voorzieningenrechter de verdeling van de gemeenschap vaststelt. Het is daarentegen – zoals de man zelf in conventie ook stelt – niet mogelijk dat de voorzieningenrechter de verdeling in kort geding vaststelt, omdat dan sprake zou zijn van een constitutieve uitspraak.
4.13.
Verder ontbreekt het spoedeisend belang van de man bij zijn vorderingen. Als partijen niet alsnog tot overeenstemming komen, zal, zoals uit hetgeen in conventie is overwogen volgt, de verdeling in een bodemprocedure moeten worden vastgesteld. Of de vrouw gehouden is voor de periode dat zij de woning na het vertrek van de man alleen heeft bewoond, de woonlasten volledig voor haar rekening te nemen, kan daarin tevens worden beslist. De man heeft geenszins toegelicht of onderbouwd welk spoedeisend belang hij bij de gevraagde voorzieningen heeft en waarom van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij een oordeel daarover in de bodemprocedure afwacht.
4.14.
Voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de vorderingen van de man in reconventie moeten worden afgewezen.
De proceskosten in conventie en reconventie
4.15.
In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn en zij over in weer in het ongelijk zijn gesteld, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij zowel in conventie als in reconventie de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van de vrouw af;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in reconventie
5.3.
wijst de vorderingen van de man af;
5.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van de Laarschot en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025.
lp

Voetnoten

1.Citaten worden weergegeven inclusief eventuele taal- en tikfouten.