ECLI:NL:RBDHA:2025:23353

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
09.150093.25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens poging tot doodslag en mishandelingen met tbs en schadevergoeding

Op 27 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, geboren in 1991, die zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag en meerdere mishandelingen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 14 mei 2025 in Leiden met een hamer op het hoofd van slachtoffer [naam 1] heeft geslagen, wat resulteerde in ernstig letsel, waaronder een gebroken jukbeen en oogkas. De verdachte heeft ook [naam 2] mishandeld op 16 juni 2023 en [naam 4] op 30 mei 2024. De rechtbank oordeelde dat de verdachte niet kon worden vrijgesproken op basis van noodweer, omdat zijn reactie op de aanvallen van de slachtoffers buitensporig was. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar, met terbeschikkingstelling (tbs) met voorwaarden, en een schadevergoeding van € 15.022,50 aan [naam 1] voor immateriële en materiële schade. De rechtbank heeft de ernst van de feiten en de impact op de slachtoffers zwaar laten meewegen in de strafmaat.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/150093-25, 09/146869-23, 09/353151-24 (t.t.z. gevoegd) en 09/308633-20 (TUL)
Datum uitspraak: 27 november 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 28 augustus 2025 (pro forma) en 13 november 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.T. Verweijen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. P.J.W. de Water naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 13 november 2025 – ten laste gelegd dat:
09/150093-25(hierna ook: dagvaarding I)
hij op of omstreeks 14 mei 2025 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [naam 1] één of meermalen met een hamer althans een zwaar voorwerp tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 mei 2025 te Leiden aan [naam 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken jukbeen, een gebroken oogkas, bloedingen in de hersenen en een beschadigd oog met verminderd gezichtsvermogen tot gevolg, heeft toegebracht door één of meermalen met een hamer, althans een zwaar voorwerp, tegen het hoofd van die [naam 1] te slaan;
09/146869-23(hierna ook: dagvaarding II)
1.
hij op of omstreeks 16 juni 2023 te Voorschoten [naam 2] heeft mishandeld door meerdere malen, althans eenmaal
- te slaan tegen het gezicht, althans het lichaam, van die [naam 2] en/of
- te trappen tegen de heup, althans het lichaam, van die [naam 2] en/of
- te bijten in de schouder en/of de zij, althans het lichaam, van die [naam 2] ;
2.
hij op of omstreeks 16 juni 2023 te Voorschoten opzettelijk en wederrechtelijk een (deur)raam, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
09/353151-24(hierna ook: dagvaarding III)
hij op of omstreeks 30 mei 2024 te Voorschoten [naam 4] heeft mishandeld door hem een kopstoot te geven.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II, onder 2, ten laste gelegde feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Dagvaarding I
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025159324, van de politie eenheid Den Haag (doorgenummerd pagina 1 t/m 187).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1.
Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, opgemaakt op 30 mei 2025 (p. 105);
2.
Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] , opgemaakt op 15 mei 2025 (p. 63-64);
3.
Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] , opgemaakt op 15 mei 2025 (p. 66);
4.
Een geschrift, te weten een letselbeschrijving [naam 1] , opgemaakt op 30 juli 2025 door S.M. Khargi, forensisch arts KNMG (p. 134-135).
Dagvaarding II, feit 2
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2023183739, van de politie eenheid Den Haag (doorgenummerd pagina 1 t/m 53).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1.
Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, opgemaakt op 16 juni 2023 (p. 25);
2.
Het proces-verbaal van aangifte van [naam 3] , opgemaakt op 16 juni 2023 (p. 14).
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ook gerekwireerd tot bewezenverklaring van de bij dagvaarding II, onder 1 en bij dagvaarding III ten laste gelegde feiten.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het bij dagvaarding II onder 1 en het bij dagvaarding III ten laste gelegde.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Dagvaarding II, feit 1
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2023183739, van de politie eenheid Den Haag (doorgenummerd pagina 1 t/m 53).
1.
Het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] , opgemaakt op 16 juni 2023, voor zover inhoudende (p. 7-8) en bijlagen (p. 11-13):
Ik wil aangifte doen van mishandeling. Dit is gedaan door [verdachte] . Op donderdag
15 juni 2023 ging ik om 23:00 uur naar [adres 2] in Voorschoten. Tijdens het
douchen hoorde ik [verdachte] zijn stem. Ik hoorde dat hij agressief was. Terwijl ik de sleutel aan
[verdachte] gaf, zag ik dat [verdachte] met zijn rechterbeen een voorwaartse trap naar mij gaf. Hij
raakte mijn heup. Ik voelde dat ik daar direct pijn kreeg. Ik legde hem op de grond en ik
pakte hem in een houdgreep. Ik voelde opeens een onwijze pijn in mijn
rechterschouderblad. Ik heb mij vervolgens los gemaakt, want het deed onwijs pijn.
Achteraf bleek dat [verdachte] mij meerdere keren had gebeten.
2.
Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 3] , opgemaakt op 16 juni 2023, voor zover inhoudende (p. 37):
Ik zag dat [verdachte] ineens in de woonkamer stond en hoorde hem zeggen dat hij [naam 2] moest
hebben. Ik weet dat [naam 2] toen aan het douchen was. Ik zag dat [verdachte] met de trap naar
beneden ging en ik hoorde daarna allemaal lawaai. Ik ben vervolgens ook naar beneden
gegaan. Ik zag dat [verdachte] naar [naam 2] uithaalde. Daarna ontstond er een worsteling. Ik zag dat
[naam 2] [verdachte] kort in een houdgreep hield. Ik zag dat [naam 2] hem los liet en dat hij weer
opstond.
Dagvaarding III
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024170881, van de politie eenheid Den Haag (doorgenummerd pagina 1 t/m 22).
1.
Het proces-verbaal van aangifte van [naam 4] , opgemaakt op 11 juni 2024, voor
zover inhoudende (p. 5-8):
Ik, [naam 4] , doe aangifte van mishandeling tegen [verdachte] . Op donderdag 30
mei 2024 omstreeks 21.45 uur was ik in onze woning gelegen aan de [adres 2] te
Voorschoten. Op dezelfde dag omstreeks 21.45 uur was ik in mijn slaapkamer. Ik hoorde
vrijwel direct dat mijn slaapkamerdeur openging. Ik draaide mij om en zag [verdachte] in mijn
slaapkamer deuropening staan. Ik vroeg wederom aan [verdachte] wat hij hier deed en weg
moest. Ik zag dat [verdachte] hierna de hondenriem losliet en vervolgens weer mijn kamer inliep
richting mij. Ik voelde dat [verdachte] met zijn voorhoofd heel hard tegen mijn neus
aanstootte. Ik viel hierna direct op de grond. Ik voelde kort hierna dat mijn neus, de plek
waar [verdachte] met zijn voorhoofd tegenaan kwam, vreselijk pijn deed. Ik voelde ook dat mijn
neus dik werd. Ik voelde dat mijn neus een bultje had en zag later dat ik een wond had op de
plek waar [verdachte] met zijn voorhoofd tegen mijn neus aankwam. Ik zag ook bloed uit mijn
neus komen.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 juli 2024, voor zover inhoudende (p. 13):
Op 30 mei 2024, omstreeks 22:45 was ik verbalisant, in de woning aan de [adres 2] te Voorschoten. Ik zag dat [naam 4] een wond op zijn neus had. Ik zag dat hier bloed uit liep en dat hij zijn wond dicht drukte met papier. Ik zag ook dat zijn neus dikker was dan een normale neus. Ik hoorde hem later verklaren dat hij geslagen was door [verdachte] . Ik zag in de woning ook veel bloed op de grond liggen. Dit waren vooral bloedspetters van mogelijk een bloedneus van [naam 4] . Ik zag ook een grote veeg van bloed op een deur zitten ook lag daar een handdoek op de grond welke onder het bloed zat.
3.5.
Bewijsoverwegingen
Dagvaarding II, feit 1
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte richting de aangever [naam 2] is gelopen en als eerste heeft uitgehaald. Vervolgens is een worsteling ontstaan waarbij de verdachte in een houdgreep is gehouden door [naam 2] . De verdachte heeft [naam 2] vervolgens meerdere keren gebeten.
[naam 2] heeft verklaard dat hij als eerste een trap heeft gekregen, terwijl de getuige [getuige 3] heeft verklaard dat ‘de verdachte eerst uithaalde’. De rechtbank kan niet vaststellen of de getuige daarmee trappen of slaan heeft bedoeld, maar stelt wel vast dat voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat het de verdachte is geweest die als eerste heeft aangevallen, door [naam 2] te slaan of te trappen. De rechtbank acht het ten laste gelegde daarom wettig en overtuigend bewezen.
Dagvaarding III
De aangever [naam 4] heeft verklaard dat de verdachte hem een kopstoot heeft gegeven en uit de bewijsmiddelen blijkt ook dat vlak na dit incident letsel is waargenomen op zijn hoofd/neus en dat in de woning op meerdere plekken bloed is aangetroffen. Het waargenomen letsel past bij de verklaring van [naam 4] , namelijk dat de verdachte hem een kopstoot heeft gegeven. Het door de verdachte ter zitting geschetste scenario, dat hij geslagen werd in zijn ribben, door de pijn voorover boog en daarmee ‘wellicht’ met zijn hoofd tegen het hoofd van [naam 4] is gekomen, acht de rechtbank niet aannemelijk. Dit scenario vindt geen steun in het dossier. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de verdachte bij de politie anders heeft verklaard, te weten dat [naam 4] hem een kopstoot had gegeven en daarbij het letsel had opgelopen. De rechtbank verwerpt dit scenario als onaannemelijk en oordeelt dat het feit wettig en overtuigend bewezen is.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot alle ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I
hij op 14 mei 2025 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [naam 1]
eenmaalmet een hamer tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Dagvaarding II
1.
hij op 16 juni 2023 te Voorschoten [naam 2] heeft mishandeld door,
- te slaan tegen het lichaam van die [naam 2] of
- te trappen tegen het lichaam van die [naam 2] en
- te bijten in het lichaam van die [naam 2] ;
2.
hij op 16 juni 2023 te Voorschoten opzettelijk en wederrechtelijk een deurraam, dat geheel aan [naam 3] toebehoorde, heeft vernield;
Dagvaarding III
hij op 30 mei 2024 te Voorschoten [naam 4] heeft mishandeld door hem een kopstoot te geven.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

4.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het bij dagvaarding I en het bij dagvaarding II, onder 1 ten laste gelegde niet strafbaar is omdat de verdachte in beide gevallen een geslaagd beroep kan doen op noodweer.
4.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte in beide gevallen geen geslaagd beroep kan doen op noodweer.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Dagvaarding I
De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij op zijn boot stond, met zijn rug naar de kade, en dat hij plotseling van achteren gegrepen werd en klappen kreeg.. Hij kreeg geen lucht doordat hij bij zijn jas werd gegrepen en had geen andere keuze dan zich te verweren en uit te halen. Hij heeft de aangever geslagen. Daarbij had hij nog een hamer in zijn rechterhand, die hij in de boot had gebruikt, waarmee [naam 1] op zijn hoofd is geraakt.
De getuigen [getuige 2] en [getuige 1] hebben verklaard dat er voorafgaand aan het incident een korte ruzie met een woordenwisseling was tussen de verdachte en [naam 1] . [getuige 2] heeft verklaard dat [naam 1] een klap gaf aan de verdachte en dat de verdachte vervolgens direct uithaalde.
De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen, doordat [naam 1] , nadat de verdachte en [naam 1] een woordenwisseling hadden, als eerste een klap gaf aan de verdachte. Voor een geslaagd beroep op noodweer moet echter ook voldaan worden aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Deze houden onder meer in dat de verdediging in verhouding moet staan tot de ernst van de aanval. De rechtbank is van oordeel dat daar geen sprake van is, nu de verdachte op een klap van [naam 1] heeft gereageerd door uit te halen met een hamer tegen het hoofd van die [naam 1] . Deze reactie is buitensporig en op geen enkele manier een passende verdediging bij de situatie die zich voor deed. De rechtbank verwerpt het verweer en acht het bewezenverklaarde strafbaar.
Dagvaarding II, feit 1
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt, omdat hij zich heeft moeten verdedigen tegen geweld van aangever [naam 2] . [naam 2] zou hem in een wurg-/houdgreep hebben gehouden en de verdachte heeft zich daartegen verdedigd door [naam 2] te bijten.
Zoals onder 3.5 besproken, stelt de rechtbank vast dat de verdachte als eerste aanviel en dat [naam 2] de verdachte vervolgens in een houdgreep heeft gehouden. Deze houdgreep is naar het oordeel van de rechtbank geen wederrechtelijke aanranding tegen de verdachte, maar een gerechtvaardigde verdediging tegen het geweld van de verdachte. Nu de rechtbank concludeert dat de handeling van [naam 2] geen wederrechtelijke aanranding is, komt de verdachte ook geen geslaagd beroep op noodweer toe. Het verweer wordt verworpen en de rechtbank acht het bewezenverklaarde strafbaar.

5.De strafbaarheid van de verdachte

5.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het bij dagvaarding I ten laste gelegde niet strafbaar is omdat de verdachte een geslaagd beroep toekomt op noodweerexces.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van noodweerexces.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft onder 4.3 geoordeeld dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen en dat de verdachte daarbij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Voor een geslaagd beroep op noodweerexces dient de verdediging vervolgens aannemelijk te maken dat die overschrijding het gevolg is van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte, veroorzaakt door de aanval van de ander. De rechtbank is van oordeel dat geen omstandigheden naar voren zijn gekomen die aannemelijk maken dat sprake is geweest van een dergelijke hevige gemoedsbeweging. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweerexces toekomt en verwerpt het verweer. De verdachte is dan ook strafbaar.
6. De oplegging van een straf en maatregel
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend en gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) wordt opgelegd, met oplegging van alle voorwaarden zoals door de reclassering in het rapport van 22 oktober 2025 is geadviseerd. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Verder heeft de officier van justitie oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbenemende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gevorderd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een volledige bewezenverklaring en strafbaarheid komt, heeft de verdediging verzocht om sterk rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de straf aanzienlijk te matigen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, twee mishandelingen en een vernieling.
De verdachte heeft met één klap van een hamer uitgehaald tegen het hoofd van slachtoffer [naam 1] , waarbij de hamer op de schedel nabij het oog van [naam 1] terecht is gekomen. Hij is daarbij de grenzen van een proportionele verdediging te buiten gegaan. Het feit dat [naam 1] de eerste klap heeft uitgedeeld, kan op geen enkele wijze deze reactie van de verdachte rechtvaardigen. De gebeurtenis heeft een enorme impact gehad op het slachtoffer. Hij heeft er een gebroken jukbeen, een gebroken oogkas, bloedingen in de hersenen en een zwaar beschadigd oog aan overgehouden. Zijn linkeroog moest na de klap teruggeduwd worden in de oogkas. [naam 1] heeft meerdere dagen in het ziekenhuis doorgebracht en heeft tot op de dag van vandaag nog last van de gevolgen. Ter terechtzitting heeft [naam 1] verklaard dat hij zijn oog zelf op zijn plaats heeft moeten terugduwen, dat de vorm van de hamer nog in zijn gezicht staat als litteken en dat zijn zicht niet meer hetzelfde is geworden. Hij is als persoon veranderd en heeft nog dagelijks hoofdpijn.
De rechtbank zal met name de ernst van deze poging tot doodslag en de zware gevolgen daarvan voor het slachtoffer meewegen in de strafmaat.
De rechtbank stelt ook vast dat sprake lijkt van een zeker delictspatroon waarbij de verdachte snel in conflict raakt met mensen in zijn omgeving en daarop reageert met buitensporig geweld. De slachtoffers [naam 4] en. [naam 2] zijn, na een geringe woordelijke aanleiding door de verdachte aangevallen en toegetakeld. [naam 4] , een jongen van vijftien jaar oud en een kop kleiner dan de verdachte, heeft in zijn eigen slaapkamer een kopstoot gekregen van de verdachte waardoor een flinke wond is ontstaan en zijn kamervol bloed lag. [naam 2] is voor het huis van een vriendin aangevallen en vervolgens gebeten, tot bloedens toe. Wanneer het de verdachte niet zint, past hij zwaar geweld toe, zich niet bekommerend om de lichamelijke integriteit van anderen, laat staan de goederen van anderen, als die hem in zijn agressie in de weg zitten, zoals het raam in de badkamerdeur dat de verdachte heeft vernield.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 19 mei 2025. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat in de afgelopen jaren meerdere malen wegens vergelijkbare feiten (mishandeling en vernieling) gevangenisstraffen en taakstraffen opgelegd zijn aan de verdachte. Eerdere hulpverleningstrajecten lijken ook weinig effect te hebben gehad.
Pro Justitia rapportage
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia dubbelrapportage van 18 september 2025, bestaande uit een psychiatrisch onderzoek en een psychologisch onderzoek naar de persoon van de verdachte. Deze rapportage is opgesteld naar aanleiding van het incident van 14 mei 2025 en ziet dus niet op de overige in dit vonnis besproken feiten.
De psychiater heeft gerapporteerd dat in de maanden vanaf januari 2025 tot het incident van 14 mei 2025 sprake was van overmatig alcoholgebruik en dat de verdachte probeerde te minderen. Dat zorgde er echter voor dat de verdachte steeds achterdochtiger werd, zich onveilig voelde en dacht dat hij achtervolgd werd, zonder dat daar sprake van was. Er ontstonden psychotische belevingen, verder aangewakkerd door een traumatische woningoverval in 2022. De verdachte was in toenemend verminderde mate in staat zijn emoties, gedachten en impulsen te reguleren. Hij heeft in die periode uit angst meerdere malen contact opgenomen met de politie.
De psychiater concludeert dat ten tijde van het tenlastegelegde sprake is van een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens, namelijk alcoholafhankelijkheid met een door alcohol geïnduceerde psychotische stoornis. Tevens is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, waarbij sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Deze beïnvloedde de gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde. De psychiater adviseert het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.
De psychiater concludeert dat gezien de complexiteit van de pathologie en het recidiverisico, met de heftige escalatie, het van belang is dat behandeling in een stevig kader wordt vormgegeven. De psychiater acht een tbs met voorwaarden daartoe het juiste kader en ook haalbaar.
De psycholoog heeft eveneens geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een stoornis in het gebruik van alcohol en een antisociale persoonlijkheidsstoornis en dat in de maanden voorafgaand aan het incident in mei 2025 sprake was van een psychotische stoornis veroorzaakt door alcohol. Dit beïnvloedde de gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde. Hoewel een duidelijk, rechtstreeks verband tussen een aanwezige psychotische beleving en het tenlastegelegde niet wordt gezien, is het waarnemingsvermogen in algemene zin wel aangetast, door wisselend alcoholgebruik en onttrekking daarvan en toenemende gevoelens van angst. Ook de psycholoog adviseert het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen en acht een tbs met voorwaarden het meest passende kader voor behandeling.
De rechtbank neemt de conclusies van de psychiater en de psycholoog over en maakt deze tot de hare. De rechtbank zal het bewezenverklaarde onder dagvaarding I in verminderde mate aan de verdachte toerekenen en zal daarbij met de straftoemeting rekening houden.
Reclasseringsrapport (maatregelenrapport)
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 22 oktober 2025. De reclassering heeft gematigd positief geadviseerd over het opleggen tbs met voorwaarden. De reclassering heeft geadviseerd om daaraan de volgende voorwaarden te verbinden:
- geen strafbare feiten plegen;
- meewerken aan reclasseringstoezicht;
- opname in een zorginstelling;
- meewerken aan een time-out;
- begeleid wonen of maatschappelijke omvang;
- ambulante behandeling;
- middelenverbod en meewerken aan middelencontrole;
- dagbesteding;
- meewerken aan schuldhulpverlening / beschermingsbewind;
- niet naar het buitenland (reisverbod);
- contactverbod.
De reclassering heeft verder geadviseerd om de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr op te leggen en heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht geadviseerd.
Ter terechtzitting zijn alle voorgestelde voorwaarden aan de verdachte voorgehouden. Hij heeft verklaard zich daarin volledig te kunnen vinden en aan elke voorwaarde te willen meewerken.
Tbs met voorwaarden en dadelijke tenuitvoerlegging
Met inachtneming van de beschouwingen, de conclusies en de adviezen van de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat bij de verdachte tijdens het begaan van het bij dagvaarding I bewezen verklaarde feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Het door de verdachte begane feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.
De aard en de ernst van dit feit en de algemene veiligheid van personen eisen naar haar oordeel het opleggen van de tbs-maatregel.
De rechtbank overweegt dat de tbs-maatregel zal worden opgelegd voor een misdrijf gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.
De rechtbank zal de adviezen van de rapporteurs volgen en
de maatregel tot terbeschikkingstelling met voorwaarden opleggen, waarbij de voorwaarden zullen worden ingevuld zoals de reclassering heeft geadviseerd in het maatregelenrapport.
Dadelijk uitvoerbaar
De rechtbank acht het ter beperking van het gevaar voor recidive noodzakelijk dat met de behandeling van de verdachte aansluitend aan de detentie wordt aangevangen. De rechtbank acht daarmee termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 38, zesde lid, Sr en zal bevelen dat de tbs-maatregel met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
De duur van de maatregel is ongemaximeerd, omdat de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf, gericht tegen of die gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.
Maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking
De rechtbank is van oordeel dat in onderhavige zaak het voorkomen van recidive van zwaarwegend belang is. Om het recidivegevaar in te perken, kan een maatregel tot vrijheidsbeperking en gedragsbeïnvloeding, als bedoeld in artikel 38z Sr, worden opgelegd. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om de verdachte ook na afloop van de tbs-maatregel onder intensief toezicht te stellen indien dat in verband met de dan bestaande risico’s noodzakelijk is.
Aan de voorwaarden voor oplegging van genoemde maatregel is naar het oordeel van de rechtbank voldaan, omdat een tbs met voorwaarden wordt opgelegd. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en goederen, gelet op het in de rapportages geschatte hoge risico op zedendelicten. De rechtbank zal daarom de – door de reclassering geadviseerde en door de officier gevorderde –
gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opleggen.
De straf
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat, naast de op te leggen maatregelen, niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Voor een voltooide doodslag worden doorgaans gevangenisstraffen van acht tot twaalf jaar opgelegd. In strafverminderende zin weegt mee dat het hier gaat om een poging tot doodslag en dat dit bewezenverklaarde feit verminderd toe te rekenen is aan de verdachte. Dat geldt echter niet voor de overige bewezen verklaarde feiten, de twee mishandelingen en de vernieling. Deze zijn hem volledig toe te rekenen en zijn eveneens ernstige en overlast gevende feiten. Al met al, gelet op de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers zal de rechtbank
een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren aan de verdachte opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[naam 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 37.580,88, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 22.580,88 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering deels moet worden toegewezen, tot een bedrag van € 16.422,88, bestaande uit € 15.000,- immateriële schade en € 1.422,88 materiële schade met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente, en voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt ten aanzien van het onder dagvaarding I ten laste gelegde feit. Voor het geval de rechtbank daaraan voorbij gaat, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering ter zake van de materiële kosten moet worden afgewezen en dat de immateriële kosten gematigd dienen te worden.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële post ‘opvragen medische informatie’ à € 22,50, is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag en de rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen.
De rechtbank zal de vordering ter zake van overige materiële schade (kosten ambulance à € 1.400,38 en kosten opname ziekenhuis à € 21.158,-) niet-ontvankelijk verklaren, omdat de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat hij financieel nadeel lijdt. De gevorderde kosten bestaan geheel uit zorgkosten die in de regel (met uitzondering van het eigen risico) vergoed worden door de zorgverzekering. Het hebben van een zorgverzekering is verplicht voor iedereen die in Nederland woont of werkt en de rechtbank neemt daarom als uitgangspunt dat iedereen, en dus ook de benadeelde partij, een actieve zorgverzekering heeft. Wanneer een benadeelde partij door omstandigheden geen zorgverzekering heeft, is het aan hem om voldoende feiten en omstandigheden, zo nodig voorzien van onderbouwende stukken, te stellen waaruit dit blijkt. Door de benadeelde partij zijn ter zake geen stukken in het geding gebracht en evenmin heeft de benadeelde partij eenduidige feiten gesteld omtrent de reden dat hij geen verzekering zou hebben. Resumerend geldt daarom dat de benadeelde partij onvoldoende gesteld heeft om vast te kunnen stellen dat hij diverse zorgkosten zelf heeft of zal moeten betalen en dus financieel nadeel lijdt. De benadeelde partij de gelegenheid geven de vordering verder te onderbouwen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank daarom zal bepalen dat de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit. De rechtbank overweegt hierbij dat het bewezenverklaarde feit pijn en zeer ernstig letsel heeft veroorzaakt (een gebroken jukbeen, een gebroken oogkas, bloedingen in de hersenen en een beschadigd oog met verminderd gezichtsvermogen tot gevolg) en dat hij hiervan ook langere tijd na het voorval nog hinder ondervindt. Een en ander blijkt genoegzaam uit het dossier en uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding. Gelet op de ernst van de normschending, de impact en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij is naar het oordeel van de rechtbank sprake van aantasting in de persoon zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank ziet geen grond voor matiging en zal het gevorderde bedrag van € 15.000,- toewijzen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 15.022,50, bestaande uit € 22,50 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente wat de immateriële schade betreft toewijzen met ingang van 14 mei 2025, omdat dit de pleegdatum is van het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit en dit feit een onrechtmatige daad is zoals bedoeld in artikel 6:162 en 6:83 sub b van het Burgerlijk Wetboek. De wettelijke rente over het bedrag van € 22,50 zal worden toegewezen met ingang van 7 november 2025, de factuurdatum.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bij dagvaarding I bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 15.022,50, bestaande uit € 22,50 materiële schade en € 15.000,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf respectievelijk 7 november 2025 en 14 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 16 juni 2023 gevorderd dat de bij parketnummer 09/308633-20 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 11 maart 2021 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van 30 dagen, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien de proeftijd verlopen was ten tijde van de nieuwe verdenking.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de proeftijd daarvan liep tot 25 maart 2023 en de nieuwe verdenkingen van na die periode dateren.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
- 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 45, 57, 287, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
Dagvaarding I,
ten aanzien van feit 1, primair:
p
oging tot doodslag;
Dagvaarding II
ten aanzien van feit 1:
mishandeling;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
Dagvaarding III
mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
5(
VIJF)
JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de
terbeschikkingstelling van de verdachte onder de volgende voorwaarden:

1. Geen strafbaar feit plegen

Veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.

2. Meewerken aan reclasseringstoezicht

Veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
• Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
• Veroordeelde laat één of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen.
• Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
• Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
• Veroordeelde zorgt ervoor dat hij te allen tijde bereikbaar is voor zijn begeleiders en behandelaren.
• Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken.
• Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
• Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
• Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.
• Veroordeelde verschaft de reclassering zicht op de voortgang van zijn resocialisatie en begeleiding en verleent de reclassering toestemming om relevante referenten te raadplegen en contact te onderhouden met personen en instanties die deel uitmaken van zijn netwerk.
• Veroordeelde zal geen omgang hebben met personen die zijn resocialisatie in gevaar (kunnen) brengen en stelt zich open op, inzake het aangaan van nieuwe relaties of bestaande relaties en heeft geen bezwaar dat deze op ‘gepaste en discrete’ wijze door de reclassering worden gescreend.

3. Opname in een zorginstelling

Veroordeelde laat zich opnemen en zal verblijven in een nog nader door IFZ/ DIZ te indiceren klinische setting, of soortgelijke forensische instelling zulks te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
• De opname start direct aansluitend aan detentie. De opname duurt zolang de reclassering en het behandelteam dat nodig vinden.
• Veroordeelde houdt zich aan de daar geldende huisregels, afspraken en aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.
• Als de reclassering en het behandelteam een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vinden, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

4. Meewerken aan een time-out

Als de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrische Kliniek of andere (soortgelijke) instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.

5. Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Aansluitend aan zijn klinische opname zal veroordeelde verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Het verblijf duurt zolang de reclassering en zorginstelling dat nodig vinden.
• Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

6. Ambulante behandeling

Aansluitend aan zijn klinische behandeling laat veroordeelde zich behandelen door een forensisch ambulante behandelinstelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering en/of de zorginstelling dat nodig vindt.
• Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.

7. Middelenverbod en meewerken aan middelencontrole

Veroordeelde gebruikt geen drugs en alcohol en werkt mee aan controle op dit verbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn ademonderzoek (blaastest) en urineonderzoek.

8. Dagbesteding

Veroordeelde zet zich in voor het realiseren en behouden van een passende en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding en houdt zich aan de voorwaarden c.q. regels die hem gesteld worden.

9. Meewerken aan schuldhulpverlening/beschermingsbewind

Veroordeelde geeft inzage in zijn financiën en werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen. Desgewenst werkt hij mee aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen en/of beschermingsbewind.

10. Niet naar het buitenland (reisverbod)

Veroordeelde zal zich niet buiten de Europese landsgrenzen van Nederland begeven.

11. Contactverbod

Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met aangever [naam 1] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden
dadelijk uitvoerbaaris;
legt aan verdachte op
de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 1] deels toe tot een bedrag van € 15.022,50, bestaande uit € 22,50 materiële schade en € 15.000,- immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 november 2025 (ten aanzien van de materiële schade) respectievelijk 14 mei 2025 (ten aanzien van de immateriële schade) tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [naam 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen ten behoeve van [naam 1] een bedrag van € 15.022,50 bestaande uit € 22,50 materiële schade en € 15.000,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2025 (ten aanzien van de materiële schade) respectievelijk 14 mei 2025 (ten aanzien van de immateriële schade) tot aan de dag der algehele betaling;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 110 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 11 maart 2021, gewezen onder parketnummer 09/308633-20.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R. Wieringa, voorzitter,
mr. H.P.M. Meskers, rechter,
mr. J.G. Bruinsma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. den Besten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 november 2025.