ECLI:NL:RBDHA:2025:23359

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
09/332054-23 en 09/837327-19 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak zware mishandeling en veroordeling voor poging tot zware mishandeling met steekwonden

Op 8 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van zware mishandeling en poging tot zware mishandeling. De zaak betreft een incident dat plaatsvond op 12 december 2023, waarbij de verdachte de aangever meerdere keren met een scherp voorwerp in het bovenlichaam heeft gestoken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de aangever op dat moment meerdere steekwonden heeft opgelopen, waarvoor hij in het ziekenhuis moest worden behandeld. De rechtbank heeft het primair tenlastegelegde feit van zware mishandeling niet bewezen geacht, omdat het letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kon worden gekwalificeerd. De verdachte is echter wel veroordeeld voor poging tot zware mishandeling, omdat hij opzettelijk heeft geprobeerd de aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank heeft de verdachte een taakstraf van 180 uur opgelegd, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast is er een contactverbod opgelegd met de aangever. De rechtbank heeft ook een gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gedaan, waarbij de verdachte is veroordeeld tot betaling van € 4.330,00 aan schadevergoeding aan de aangever.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/332054-23 en 09/837327-19 (tul)
Datum uitspraak: 8 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,
verblijfadres: [verblijfadres] , [postcode] te [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 24 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A. de Vries en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. T. Kocabas naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 24 november 2025 - ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 12 december 2023 te 's-Gravenhage aan [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere steekwonden en/of een klaplong, heeft toegebracht door die [het slachtoffer] meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de romp, althans het (boven)lichaam), te steken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen
leiden:
hij op of omstreeks 12 december 2023 te Zoetermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [het slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de romp, althans het (boven) lichaam, van die [het slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.3.
Vrijspraak primaire feit
De rechtbank is met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde is vereist dat de aangever zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kunnen als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
De rechtbank stelt op basis van de in bijlage I opgenomen bewijsmiddelen vast dat de aangever op 12 december 2023 meerdere steekverwondingen heeft opgelopen die op de spoedeisende hulp moesten worden gehecht. Operatief ingrijpen is niet nodig geweest. Ten gevolge van die steekverwondingen moest bij de aangever wel een thoraxdrain worden aangelegd waarmee bloed uit zijn longen is weggehaald. Het aanleggen van een thoraxdrain op zichzelf wordt in de jurisprudentie echter niet aangenomen als voldoende ernstig om te kunnen spreken van zwaar lichamelijk letsel.
De aangever is vijf dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis. Bij zijn ontslag uit het ziekenhuis was de pijn met pijnmedicatie onder controle en was de functie van zijn long na het verwijderen van de thoraxdrain goed hersteld. Uit de medische informatie in het dossier blijkt verder niet meer dan dat de aangever op 21 januari 2024, ruim een maand na het feit, nog pijn had met sporten. Ook tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 9 september 2024 gaf de aangever aan nog veel pijn te hebben. Er zou sprake zijn van zenuwschade en een aankomend operatief ingrijpen, maar daarvan is de rechtbank niets gebleken. Ook verdere objectieve gegevens over de beperkingen die het letsel de aangever oplevert en het uitzicht op (volledig) herstel ontbreken. De aangeleverde stukken bij de vordering van de benadeelde partij geven eveneens geen extra informatie over de verwachte herstelperiode.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het letsel van de aangever op basis van de beschikbare informatie niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 12 december 2023 meerdere “stompen” op de linkerflank van de aangever heeft gegeven. Voorts stelt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen, meer in het bijzonder de conclusie van het NFI over de textielbeschadigingen aan de kleding van de aangever (bewijsmiddel 5), vast dat de steekverwondingen die bij de aangever in het ziekenhuis zijn vastgesteld, zijn toegebracht met een scherp voorwerp.
De verdediging heeft betoogd dat de verdachte geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het handelen van de verdachte kon immers geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel opleveren en valt evenmin aan te merken als daarop naar uiterlijke verschijningsvorm te zijn gericht. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van enig scherp voorwerp. De verdachte heeft verklaard de aangever alleen te hebben gestompt. Het enkele stompen op iemands bovenlichaam levert niet zonder meer een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Bovendien bevond de verdachte zich in een chaotische situatie en heeft hij alleen maar gehandeld vanuit angst. Daaruit vloeit voort dat er geen sprake is geweest van bewuste aanvaarding door de verdachte van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, in zoverre die kans überhaupt aanmerkelijk zou zijn, aldus de raadsman.
De rechtbank overweegt dat, hoewel bij de verdachte of in de omgeving van de plaats delict geen steekwapen is aangetroffen, zij op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vaststelt dat de verwondingen van de aangever zijn ontstaan door het handelen van de verdachte. De verdachte heeft bekend de aangever meerdere malen in zijn zij te hebben gestompt. Direct daarna is door meerdere personen bij de aangever letsel in de vorm van gaten in een zij en bloed waargenomen. De aangever is vervolgens naar het ziekenhuis gegaan, alwaar is vastgesteld dat er sprake was van meerdere steekverwondingen in de linkerflank. Gelet daarop kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de verdachte degene is die het letsel bij de aangever heeft veroorzaakt, door hem met een scherp voorwerp te steken.
Het steken van een persoon in de romp met een scherp voorwerp levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. De romp is een kwetsbaar lichaamsdeel waar zich verschillende vitale organen en belangrijke bloedvaten bevinden. Een steekverwonding in dit lichaamsdeel kan zodoende ernstige schade opleveren of zelfs fatale gevolgen hebben. Nu het algemene ervaringsregels betreffen, heeft eenieder – en dus ook de verdachte – wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Dat het letsel van de aangever in onderhavig geval uiteindelijk niet als zwaar lichamelijk letsel wordt gekwalificeerd doet geenszins af aan die aanmerkelijke kans.
De verdachte heeft de aangever desondanks doelgericht meerdere malen gestoken. Dit blijkt onder meer uit het feit dat het aantal steekverwondingen precies overeenkomt met het aantal keer dat de verdachte de aangever heeft gestompt. Dat duidt niet op een onbedoelde toevalstreffer, maar op doelgericht en bewust handelen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm dan ook worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel te zijn gericht dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.
Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een poging heeft gedaan de aangever opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door hem meerdere keren met een scherp voorwerp in zijn bovenlichaam te steken.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 12 december 2023 te Zoetermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met een scherp voorwerp in het (boven)lichaam van die [het slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer niet kan slagen, omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen een verdediging geboden was. Als er al gesproken zou kunnen worden over een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, hadden zowel de verdachte als zijn familieleden zich bovendien makkelijk uit de situatie kunnen onttrekken.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van het primair dan wel subsidiair tenlastegelegde komt, er sprake is geweest van noodweer dan wel noodweerexces en heeft verzocht de verdachte in dat geval te ontslaan van alle rechtsvervolging.
De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Daartoe heeft de raadsman de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd.
Er was sprake van een conflictsituatie. Er werd geschreeuwd en gescholden. Op enig moment maakte de aangever een aanzet om zich in de richting van de verdachte en zijn familie te bewegen en dacht de verdachte iets in de hand van aangever te hebben gezien, waarop de verdachte heeft gereageerd. Doordat de situatie zo verhit was en de dierbaren van de verdachte daar aanwezig waren, kon hij zich niet makkelijk onttrekken aan de situatie.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, geen beroep op noodweer rechtvaardigen.
De rechtbank gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.
De zus van de verdachte had ruzie met de buurman, de aangever. Zijn moeder en zus zijn vervolgens verhaal gaan halen bij de aangever. De verdachte ging daar achteraan en enkele momenten later sloot ook de vader van de verdachte zich aan. Zij stonden met zijn vieren bij de aangever voor de deur. De aangever stond in zijn eigen deuropening. Er werd over en weer geschreeuwd. Op enig moment stapte de verdachte naar voren en viel hij de aangever aan. De vader van de verdachte haalde hem van de aangever af en stuurde de verdachte vervolgens weg, waarna de situatie kalmeerde en de aangever ook vertrok.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van de aangever niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, noch als een dreiging daarvoor. Immers is uit geen enkele omstandigheid gebleken dat de aangever aanstalten maakte om de verdachte dan wel diens familie fysiek aan te vallen, laat staan dat een dergelijke aanranding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Uit de getuigenverklaringen volgt juist dat het handelen van de verdachte richting de aangever plotseling en onverwachts was.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de verdachte zichzelf in de conflictsituatie heeft gebracht en eenmaal daar bovendien alle gelegenheid had zich weer aan die situatie te onttrekken. Hij heeft zelf het wilsbesluit genomen daarheen te gaan terwijl hij wist dat er een ruzie gaande was. Hij was vervolgens ook zelf degene die naar voren stapte en de aangever heeft aangevallen, terwijl hij met het hele gezin bij de voordeur van de verdachte op de galerij stond en zowel hij als zijn familieleden zich simpelweg hadden kunnen omdraaien en weglopen.
Het verweer wordt verworpen.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het bewezen verklaarde volgens de wet strafbaar is, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

Nu de rechtbank onder 4 reeds heeft vastgesteld dat er geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding of een dreiging daarvoor, en er dus geen sprake is van een noodweersituatie, komt zij niet toe aan de verdere bespreking van het door de verdediging subsidiair gevoerde verweer met betrekking tot noodweerexces.
De verdachte is gelet op het voorgaande strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 43 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod zoals geadviseerd door de reclassering, en een taakstraf van 70 uren, subsidiair 35 dagen hechtenis.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de aard van de bewezenverklaring, de jonge leeftijd van de verdachte, de context van het incident, de ontwikkeling van de zaak sinds december 2023 en de positieve lijn in het leven van de verdachte sindsdien. De verdediging heeft daarbij uitdrukkelijk verzocht een beperkte straf op te leggen waarbij het reeds ondergane voorarrest zwaar wordt meegewogen en heeft tevens uitdrukkelijk verzocht geen onvoorwaardelijke straf op te leggen die langer is dan de duur van het reeds door de verdachte ondergane voorarrest.
De verdediging heeft voorts aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een contactverbod met de aangever, maar wel tegen een locatieverbod nu ter terechtzitting is gebleken dat de aangever niet op het adres in de Brusselstraat verblijft en dat diens advocaat heeft aangegeven dat er ook alternatieve mogelijkheden zijn voor aangever om zijn kinderen bij zijn ex-partner op te halen. De verdachte daarentegen heeft er belang bij weer de mogelijkheid te hebben zijn moeder en zussen thuis op te zoeken.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De aangever heeft daardoor forse steekverwondingen opgelopen aan zijn bovenlichaam, ten gevolge waarvan er bloed uit zijn longen gepompt moest worden met een longdrain en hij enkele dagen in het ziekenhuis is opgenomen. De aangever heeft aangegeven nog altijd pijn te ondervinden. De verdachte heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. Het is geenszins aan de verdachte te danken dat de aangever niet nog ernstigere verwondingen heeft opgelopen.
Dergelijke feiten kunnen langdurige gevolgen hebben voor de slachtoffers, zowel fysiek als psychisch, hetgeen ook ter terechtzitting is gebleken uit de verklaring die namens het slachtoffer is gegeven. Niet alleen ervaart hij nog steeds pijn, maar door zijn littekens wordt het slachtoffer ook steeds weer herinnerd aan wat er is gebeurd. Bovendien zijn zowel de familie van de verdachte als de ex-partner van het slachtoffer getuige van deze gebeurtenis geweest, hetgeen veel impact op hen zal hebben. Ook voor andere omwonenden kunnen dergelijke gebeurtenissen een negatief effect hebben op het veiligheidsgevoel.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 oktober 2025. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte in 2022 eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict en daarvoor ten tijde van het onderhavige feit in een proeftijd liep. De verdachte leert kennelijk niet van zijn gedragingen en dat rekent de rechtbank hem aan. Tevens heeft de verdachte zich gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis schuldig gemaakt aan het rijden onder invloed van verdovende middelen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 18 februari 2025, waaruit volgt dat de verdachte afspraaktrouw is en gemotiveerd is om aan zijn positieve toekomstdoelen te werken. Conform de schorsingsvoorwaarden is de verdachte aangemeld geweest bij De Waag, maar deze behandeling is in een vroegtijdig stadium met instemming beëindigd. De verdachte stond niet open voor diagnostisch onderzoek, had geen hulpvraag en zag ook geen noodzaak tot gedragsverandering. Volgens de reclassering vindt de verdachte de situatie vooral voor zichzelf en zijn familie erg vervelend, omdat hij door het locatieverbod niet meer thuis kan wonen. De verdachte heeft zijn leven verder op orde. De reclassering schat het recidiverisico in als laag tot gemiddeld. Daarnaast adviseert de reclassering als bijzondere voorwaarden een contactverbod met de aangever en een locatieverbod voor de Brusselstraat te Zoetermeer op te leggen.
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij inmiddels in het tweede leerjaar van zijn vier jaar durende opleiding zit. De verdachte woont sinds enige tijd bij zijn vader in Delft en werkt naast zijn studie.
De rechtbank acht het positief dat de verdachte bezig is met zijn toekomst en zich daarop wil focussen. Tegelijkertijd ziet zij ook dat de verdachte de schuld van wat er is gebeurd buiten zichzelf lijkt te leggen en daarmee geen verantwoordelijkheid neemt voor wat hij heeft aangericht. Evenmin toont de verdachte enige zelfreflectie. Dat neemt de rechtbank hem kwalijk. Hij was een gewaarschuwd man, maar dat heeft hem niet weerhouden geweld te gebruiken. Bovendien heeft de verdachte zich niet volledig aan zijn schorsingsvoorwaarden gehouden door bij de Waag geen volledige openheid van zaken te geven en daarmee een behandeling te blokkeren, door een strafbaar feit te plegen en door meerdere afspraken bij de reclassering te missen. Ook dat weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting voor zware mishandeling. Daarin is als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen, niet zijnde een vuurwapen.
In dit geval neemt de rechtbank in strafverlagende zin mee dat het in deze zaak gaat om een poging tot zware mishandeling en niet om een voltooid delict.
De rechtbank overweegt dat voor een poging tot zware mishandeling van een dergelijke aard en ernst, zeker gelet op de eerdere veroordeling van de verdachte, in veel gevallen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele maanden passend en geboden zou zijn. Gelet op de jonge leeftijd van de verdachte en zijn positieve houding met betrekking tot zijn studie en zijn toekomst is de ontwrichtende werking van een terugkeer naar de gevangenis voor de verdachte onwenselijk, omdat zijn ontwikkeling daardoor te veel in negatieve zin zou worden doorkruist. De rechtbank benadrukt dat zij daarmee geenszins wil afdoen aan de ernst van het feit.
De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een langdurige taakstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Door de officier van justitie is gevorderd conform het advies van de reclassering zowel een contact- als locatieverbod aan de verdachte op te leggen als bijzondere voorwaarden. De verdediging heeft zich verzet tegen het opleggen van een locatieverbod. De rechtbank overweegt daaromtrent dat zij een contactverbod met de aangever gelet op de omstandigheden van het geval passend en geboden acht, maar een locatieverbod haar minder noodzakelijk voorkomt. De rechtbank overweegt daartoe dat de aangever niet op een adres aan de Brusselstraat verblijft, dat er naar het lijkt alternatieven zijn voor het overdragen van zijn kinderen en dat de kleine mogelijkheid dat de verdachte en de aangever elkaar toch in die straat treffen bovendien wordt ondervangen door het contactverbod. Het is dan aan de verdachte om een confrontatie af te wenden door zich uit de situatie te verwijderen.
De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van 180 uur passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [het slachtoffer] .
Voorlopige hechtenis
Nu de op te leggen straf geen vrijheidsbeneming met zich meebrengt die langer is dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering
[het slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 16.330,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 1.330,00 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag voor eigen risico in 2024 á € 385,00 onvoldoende is onderbouwd en zodoende van de gevorderde materiële schade moet worden afgetrokken. De vordering is voor het overige voldoende onderbouwd en de gevorderde immateriële schade is passend.
De officier van justitie heeft zodoende geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 15.945,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toewijzing van de wettelijke rente en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat de verdediging door de tardieve indiening van de vordering in combinatie met de medisch-technische aard van het dossier feitelijk is belet in de voorbereiding, hetgeen in strijd is met het recht op een eerlijk proces en het beginsel van ‘equality of arms’ zoals neergelegd in artikel 6 EVRM.
Subsidiair verzoekt de verdediging om afwijzing van de materiële kosten vanwege onvoldoende onderbouwing van de gestelde schade. Wat betreft de gevorderde immateriële schade stelt de verdediging zich op het standpunt dat het causale verband tussen de gestelde gevolgen en het ten laste gelegde feit onvoldoende aannemelijk is geworden. Mede gelet op het gebrek aan objectieve onderbouwing van de gestelde (medische) gevolgen en andere relevante omstandigheden, verzoekt de verdediging het gevorderde bedrag aanzienlijk te matigen.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank overweegt dat het haar aannemelijk voorkomt dat de benadeelde partij zijn eigen risico in de jaren 2023, 2024 en 2025 heeft verbruikt voor behandeling van het door hem opgelopen letsel. Juist ook in het jaar 2024, nu het bewezen verklaarde feit aan het einde van 2023 plaatsvond en de benadeelde partij in het begin van het daaropvolgende jaar nog vervolgafspraken in het ziekenhuis heeft gehad.
Ten aanzien van de ziekenhuisdaggeldvergoeding merkt de rechtbank op dat die gevorderde kosten toewijsbaar zijn nu uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij in de opgegeven periode in het ziekenhuis was opgenomen ter behandeling van het door hem opgelopen letsel. Nadere specificatie van de daadwerkelijk gemaakte kosten is voor toewijzing van de ziekenhuisdaggeldvergoeding niet vereist. Immers is de richtlijn waarop deze vergoeding is gebaseerd juist bedoeld om discussie te voorkomen over welke kosten precies wel of niet noodzakelijk zijn bij ziekenhuisopname en dus voor toewijzing in aanmerking komen.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is naar het oordeel van de rechtbank namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan eveneens worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit.
In de vordering is voor de hoogte van de immateriële schade aangesloten bij de Rotterdamse Schaal voor chronische pijn, hoofdstuk 8.2, sub B, in de categorie middelzwaar. De rechtbank kan op basis van de bijgevoegde (medische) stukken de beperkende invloed van de pijnklachten op het leven van de benadeelde partij en de mate van pijn niet goed vaststellen en zoekt daarom in haar uiteindelijke oordeel geen aansluiting bij de eerdergenoemde categorie van de Rotterdamse Schaal. Dat doet er niet aan af dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezen verklaarde feit wel degelijk ernstig letsel heeft opgelopen, waarvoor hij medische behandeling heeft moeten ondergaan, en dat alleen al daarin grondslag is gelegen voor een vergoeding van immateriële schade.
Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 3.000,00. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaring in de vordering tot vergoeding van immateriële schade.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 4.330, bestaande uit € 1.330,00 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 december 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 4.330,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 december 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [het slachtoffer] .

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 13 oktober 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 09/837327-19 door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 2 juni 2022 voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 40 uur ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarden.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt, gelet op de bepleite vrijspraak voor zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde, primair om afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.
Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat de betreffende voorwaardelijke straf in 2022 is opgelegd voor feiten die zijn gepleegd in 2019, toen de verdachte slechts zeventien jaar oud was. Het primair beoogde effect van die voorwaardelijke straf was toentertijd vooral pedagogisch. Tenuitvoerlegging van die straf op dit moment in de tijd zou zodoende voorbijgaan aan het doel waarmee die straf is opgelegd.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de opgelegde taakstraf, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarden niet heeft nageleefd doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.
De jonge leeftijd van de verdachte tijdens het plegen van de aan die voorwaardelijk opgelegde straf ondergelegen strafbare feiten doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af, nu de verdachte zich ten tijde van het onderhavige geweldsdelict midden in de opgelegde proeftijd bevond en dus een gewaarschuwd en volwassen man was.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1, subsidiair:
poging tot zware mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
taakstrafvoor de tijd van
180 (honderdtachtig) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de tijd van
90 (negentig) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 17 (zeventien) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) MAANDEN;
bepaalt dat die straf,
niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij
op twee jaren vastgestelde proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:
- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [het slachtoffer] , zolang het Openbaar Ministerie dit noodzakelijk acht;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 4.330,00 en veroordeelt de veroordeelde om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 december 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [het slachtoffer] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.330,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 december 2023 tot de dag waarop dit bedrag is betaald;
bepaalt dat, als de veroordeelde niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 53 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de veroordeelde niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de veroordeelde de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de veroordeelde niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de veroordeelde het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de veroordeelde niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank te Den Haag d.d. 2 juni 2022, gewezen onder parketnummer 09//837327-19, te weten een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Herfkens, voorzitter,
mr. L.K. van Zaltbommel, rechter,
mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 december 2025.