6.3.Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De aangever heeft daardoor forse steekverwondingen opgelopen aan zijn bovenlichaam, ten gevolge waarvan er bloed uit zijn longen gepompt moest worden met een longdrain en hij enkele dagen in het ziekenhuis is opgenomen. De aangever heeft aangegeven nog altijd pijn te ondervinden. De verdachte heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. Het is geenszins aan de verdachte te danken dat de aangever niet nog ernstigere verwondingen heeft opgelopen.
Dergelijke feiten kunnen langdurige gevolgen hebben voor de slachtoffers, zowel fysiek als psychisch, hetgeen ook ter terechtzitting is gebleken uit de verklaring die namens het slachtoffer is gegeven. Niet alleen ervaart hij nog steeds pijn, maar door zijn littekens wordt het slachtoffer ook steeds weer herinnerd aan wat er is gebeurd. Bovendien zijn zowel de familie van de verdachte als de ex-partner van het slachtoffer getuige van deze gebeurtenis geweest, hetgeen veel impact op hen zal hebben. Ook voor andere omwonenden kunnen dergelijke gebeurtenissen een negatief effect hebben op het veiligheidsgevoel.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 oktober 2025. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte in 2022 eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict en daarvoor ten tijde van het onderhavige feit in een proeftijd liep. De verdachte leert kennelijk niet van zijn gedragingen en dat rekent de rechtbank hem aan. Tevens heeft de verdachte zich gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis schuldig gemaakt aan het rijden onder invloed van verdovende middelen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 18 februari 2025, waaruit volgt dat de verdachte afspraaktrouw is en gemotiveerd is om aan zijn positieve toekomstdoelen te werken. Conform de schorsingsvoorwaarden is de verdachte aangemeld geweest bij De Waag, maar deze behandeling is in een vroegtijdig stadium met instemming beëindigd. De verdachte stond niet open voor diagnostisch onderzoek, had geen hulpvraag en zag ook geen noodzaak tot gedragsverandering. Volgens de reclassering vindt de verdachte de situatie vooral voor zichzelf en zijn familie erg vervelend, omdat hij door het locatieverbod niet meer thuis kan wonen. De verdachte heeft zijn leven verder op orde. De reclassering schat het recidiverisico in als laag tot gemiddeld. Daarnaast adviseert de reclassering als bijzondere voorwaarden een contactverbod met de aangever en een locatieverbod voor de Brusselstraat te Zoetermeer op te leggen.
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij inmiddels in het tweede leerjaar van zijn vier jaar durende opleiding zit. De verdachte woont sinds enige tijd bij zijn vader in Delft en werkt naast zijn studie.
De rechtbank acht het positief dat de verdachte bezig is met zijn toekomst en zich daarop wil focussen. Tegelijkertijd ziet zij ook dat de verdachte de schuld van wat er is gebeurd buiten zichzelf lijkt te leggen en daarmee geen verantwoordelijkheid neemt voor wat hij heeft aangericht. Evenmin toont de verdachte enige zelfreflectie. Dat neemt de rechtbank hem kwalijk. Hij was een gewaarschuwd man, maar dat heeft hem niet weerhouden geweld te gebruiken. Bovendien heeft de verdachte zich niet volledig aan zijn schorsingsvoorwaarden gehouden door bij de Waag geen volledige openheid van zaken te geven en daarmee een behandeling te blokkeren, door een strafbaar feit te plegen en door meerdere afspraken bij de reclassering te missen. Ook dat weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting voor zware mishandeling. Daarin is als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen, niet zijnde een vuurwapen.
In dit geval neemt de rechtbank in strafverlagende zin mee dat het in deze zaak gaat om een poging tot zware mishandeling en niet om een voltooid delict.
De rechtbank overweegt dat voor een poging tot zware mishandeling van een dergelijke aard en ernst, zeker gelet op de eerdere veroordeling van de verdachte, in veel gevallen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele maanden passend en geboden zou zijn. Gelet op de jonge leeftijd van de verdachte en zijn positieve houding met betrekking tot zijn studie en zijn toekomst is de ontwrichtende werking van een terugkeer naar de gevangenis voor de verdachte onwenselijk, omdat zijn ontwikkeling daardoor te veel in negatieve zin zou worden doorkruist. De rechtbank benadrukt dat zij daarmee geenszins wil afdoen aan de ernst van het feit.
De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een langdurige taakstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Door de officier van justitie is gevorderd conform het advies van de reclassering zowel een contact- als locatieverbod aan de verdachte op te leggen als bijzondere voorwaarden. De verdediging heeft zich verzet tegen het opleggen van een locatieverbod. De rechtbank overweegt daaromtrent dat zij een contactverbod met de aangever gelet op de omstandigheden van het geval passend en geboden acht, maar een locatieverbod haar minder noodzakelijk voorkomt. De rechtbank overweegt daartoe dat de aangever niet op een adres aan de Brusselstraat verblijft, dat er naar het lijkt alternatieven zijn voor het overdragen van zijn kinderen en dat de kleine mogelijkheid dat de verdachte en de aangever elkaar toch in die straat treffen bovendien wordt ondervangen door het contactverbod. Het is dan aan de verdachte om een confrontatie af te wenden door zich uit de situatie te verwijderen.
De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van 180 uur passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [het slachtoffer] .
Voorlopige hechtenis
Nu de op te leggen straf geen vrijheidsbeneming met zich meebrengt die langer is dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.