ECLI:NL:RBDHA:2025:23360

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
09/219892-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal van een fatbike met oplegging van ISD-maatregel

Op 8 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van diefstal van een elektrische fiets, een fatbike, op 27 juli 2025 in 's-Gravenhage. De verdachte, geboren in 1974 en op dat moment gedetineerd, heeft tijdens de zitting op 24 november 2025 een bekennende verklaring afgelegd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte de fatbike heeft weggenomen met het oogmerk om deze wederrechtelijk toe te eigenen. De officier van justitie heeft gevorderd om de verdachte een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) op te leggen voor de duur van twee jaren. De verdediging heeft betoogd dat de ISD-maatregel een ultimum remedium is en dat er eerst andere mogelijkheden moeten worden onderzocht, zoals reclasseringstoezicht. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de verdachte, gezien zijn strafblad en de ernst van de feiten, een ISD-maatregel opgelegd moet krijgen. De rechtbank heeft de maatregel voor de maximale duur van twee jaren opgelegd, zonder aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De benadeelde partij, die schadevergoeding vorderde voor de fatbike, is niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank heeft de toepasselijke wetsartikelen genoemd en de beslissing is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/219892-25
Datum uitspraak: 8 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] , [postcode] [plaats 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 2] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 30 oktober 2025 en 24 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.A. Kamphuis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J. Looman naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 27 juli 2025 te 's-Gravenhage een (elektrische) fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025253565 van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 33).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 24 november 2025;
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 27 juli 2025 (p. 6-8).
3.2.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 27 juli 2025 te 's-Gravenhage een elektrische fiets die aan [de benadeelde] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De oplegging van straf of maatregel

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte een maatregel tot plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ISD-maatregel een ultimum remedium is en dat eerst een mogelijke tussenstap moet worden onderzocht. Immers, er is in drie gevallen reclasseringstoezicht aan de verdachte opgelegd, maar dat heeft er nooit toe geleid dat de reclassering daadwerkelijk met hem heeft gewerkt en het is dus ook niet duidelijk wat dit zou kunnen opleveren. De verdachte heeft een postadres waarop hij bereikbaar is en inmiddels is ook zijn familiesituatie veranderd. Hij kan in afwachting van een plek in een instelling voor begeleid wonen onderdak krijgen bij zijn broer. Daardoor is er sprake van een stabielere situatie dan voorheen. Alle incidenten zijn bij de verdachte voortgekomen uit puur praktische omstandigheden die zijn ontstaan door het ontbreken van stabiele huisvesting en het leven op straat, niet uit bijvoorbeeld verslavingsproblematiek. De verdachte wil graag hulp bij het oppakken van zijn leven en zou ook graag een taakstraf opgelegd krijgen ter voorbereiding op een terugkeer in het werkende leven. Hij is bereikbaar en gemotiveerd om uit zijn oude situatie te komen. Wat de verdediging betreft zijn er dus mogelijkheden om met de reclassering te werken, die zouden moeten voorgaan op het ultimum remedium dat de ISD-maatregel is. Daarbij zou een voorwaardelijke ISD-maatregel eventueel ook een mogelijkheid zijn, als waarschuwing zodat de verdachte weet wat hem boven het hoofd hangt als hij zich niet aan de gemaakte afspraken houdt.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank neemt bij haar beoordeling van de maatregel of strafoplegging het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een fatbike. Hij heeft deze meegenomen terwijl hij wist dat deze niet van hem was, met als doel om de fatbike te verkopen. De verdachte heeft daarmee voor de zoveelste keer laten zien geen respect te hebben voor het eigendom van anderen en heeft puur gehandeld uit eigen financieel gewin.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 13 oktober 2025, waaruit volgt dat hij al vele malen tot gevangenisstraffen is veroordeeld voor vermogensdelicten.
Persoonlijke omstandigheden
De verdachte is een kwetsbare persoon met een licht verstandelijke beperking. Hij leeft voor een groot deel op straat en gaat in en uit (deels) begeleide woonvormen. Steeds lijken problemen, veroorzaakt door de verdachte zelf, er voor te zorgen dat hij bij die woonvormen moet vertrekken. Werk of andere vormen van structurele dagbesteding heeft hij niet. De verdachte ontvangt een uitkering, maar pleegt naar eigen zeggen vooral vermogensdelicten omdat het leven op straat veel geld kost en hij van die uitkering niet kan rondkomen.
Reclasseringsadvies
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de reclassering d.d. 20 oktober 2025 over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de ISD-maatregel voor de verdachte, dat is opgemaakt en ondertekend door P. Baak, reclasseringswerker, en H. Arendse, unitmanager.
Uit het rapport volgt dat het plegen van strafbare feiten door de verdachte voortkomt uit het ontbreken van stabiele huisvesting, een baan en toereikend inkomen. Tevens is sprake van psychosociale problemen, waar hij onvoldoende besef van lijkt te hebben, en mijdt hij zorg terwijl hij onvoldoende zelfredzaam is. Dit alles leidt ertoe dat het de verdachte zelf niet lukt om stabiliteit in zijn leven te behouden. Het recidiverisico en het risico op onttrekken aan de voorwaarden worden ingeschat als hoog.
De reclassering ziet geen mogelijkheden om die risico’s in een voorwaardelijk kader in te perken. Door de gebrekkige ontvankelijkheid van de verdachte voor (forensische) zorg, zijn onbereikbaarheid, recidives, het overtreden van huisregels, zijn zelfoverschatting en het ontbreken van actuele diagnostiek, zijn eerdere (forensische) zorgtrajecten onvoldoende effectief gebleken en hebben eerdere bijzondere voorwaarden ook niet geleid tot stabiliteit en gedragsverandering. Het is niet duidelijk welke zorg de verdachte (primair) nodig heeft en of die zorg haalbaar en realiseerbaar is. Diagnostisch onderzoek en eventuele toeleiding naar zorg vanuit een gestructureerde, intramurale setting (na eventuele forensische interventies) zouden daarbij uitkomst kunnen bieden. De verdachte voldoet aan zowel de harde als de zachte criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel.
De reclassering adviseert gelet op het voorgaande om bij veroordeling van de verdachte aan hem een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
Weging
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel.
Het feit waarvoor de verdachte wordt veroordeeld is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voordat hij dit feit pleegde ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Het feit waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, heeft hij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer zijn gelegd.
De verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, nu over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen. Omdat de verdachte steeds weer overlast en schade veroorzaakt, gaat nu het belang van de samenleving voor. Daarom is het voor de veiligheid van personen en goederen nodig om de ISD-maatregel op te leggen. Daarnaast kan de ISD-maatregel een bijdrage leveren aan het oplossen van de problematiek die bij de verdachte speelt en aan het voorkomen van herhaling van delictgedrag na afloop van de ISD-maatregel.
Vooral ter optimale bescherming van de maatschappij, maar ook om een eventuele oplossing van de problematiek van de verdachte alle kansen te geven, is het belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten niet aftrekken van de duur van die maatregel.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering
[de benadeelde] heeft zich ter terechtzitting als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding voor materiële schade aan zijn fatbike. De benadeelde partij heeft daarbij geen concreet schadebedrag genoemd.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hoewel de bewijsstukken ter onderbouwing van de schade ontbreken, de schade aan de fatbike voldoende blijkt uit het dossier en die schade redelijkerwijs kan worden geschat op € 250,00. De officier van justitie merkt daarbij op dat er zijns inziens formeel gezien geen vordering is ingediend door de benadeelde partij, maar dat de rechtbank gebruik kan maken van haar bevoegdheid om een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er door de benadeelde partij geen vordering is ingediend, maar dat de rechtbank wel de bevoegdheid heeft om een schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De raadsman heeft daarbij bepleit dat het door de officier van justitie genoemde schadebedrag van € 250,00 niet reëel is voor de door de benadeelde partij opgegeven schade, te weten piepende remmen. Indien de rechtbank wel ruimte ziet om aan te nemen dat de vordering van de benadeelde formeel is ingediend, verzoekt zij de vordering niet-ontvankelijk te verklaren wegens onvoldoende onderbouwing.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij heeft ter terechtzitting mondeling kenbaar gemaakt een vordering tot schadevergoeding te willen indienen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zijn fatbike beschadigd is geraakt als gevolg van de diefstal maar dat hij de fiets nog niet heeft laten repareren. De benadeelde heeft ter zitting aangevoerd voor welk bedrag en wanneer hij de fatbike heeft aangeschaft.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is door de benadeelde partij in het geheel niet onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige vertraging van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering derhalve slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
diefstal;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op de
maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (TWEE) JAREN;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. Dantuma-Hieronymus, voorzitter,
mr. L.K. van Zaltbommel, rechter,
mr. J. Herfkens, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 december 2025.