ECLI:NL:RBDHA:2025:23375

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
C/09/678094 / HA ZA 25-18
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 lid 3 RvArt. 46b Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot openstellen tussentijds hoger beroep tegen bevoegdheidsincident afgewezen

In deze civiele procedure tussen Staatsloterij B.V. en Loterijverlies.NL B.V. heeft Loterijverlies verzocht om tussentijds hoger beroep toe te staan tegen het vonnis van 17 september 2025, waarin de rechtbank het bevoegdheidsincident van Loterijverlies had afgewezen. Staatsloterij maakte bezwaar tegen dit verzoek.

De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 110 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen hogere voorziening is toegestaan tegen beslissingen over relatieve bevoegdheid. Daarnaast kan de rechtbank wel tussentijds hoger beroep toestaan indien dit niet leidt tot onredelijke vertraging.

De rechtbank oordeelde dat het toestaan van tussentijds hoger beroep in deze zaak een onredelijke vertraging van de procedure zou veroorzaken en wees het verzoek daarom af. Alle overige beslissingen werden aangehouden.

Het vonnis werd uitgesproken door rechter M. Dam op 29 oktober 2025.

Uitkomst: Het verzoek tot openstellen van tussentijds hoger beroep tegen het vonnis inzake het bevoegdheidsincident is afgewezen wegens onredelijke vertraging.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer / rolnummer: C/09/678094 / HA ZA 25-18
Vonnis van 29 oktober 2025
in de zaak van
STAATSLOTERIJ B.V.te Den Haag,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie en in het incident,
hierna te noemen: Staatsloterij,
advocaat: mr. J.W. Leedekerken te Amsterdam,
tegen
LOTERIJVERLIES.NL B.V.te Den Haag,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie en in het incident,
hierna te noemen: Loterijverlies,
advocaat: mr. N.V.C. Haneveld te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 17 september 2025 (hierna ook: het vonnis in incident) en de daarin genoemde stukken;
- het verzoek van 30 september 2025 van Loterijverlies om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen het vonnis in incident;
- het bericht van de rechtbank aan Staatsloterij, waarbij zij in de gelegenheid is gesteld zich over dit verzoek uit te laten;
- de brief van 3 oktober 2025 van Staatsloterij.
1.2.
Ten slotte is de zaak verwezen naar de rol van 29 oktober 2025 voor het nemen van een beslissing over het verzoek om tussentijds hoger beroep open te stellen.

2.De beoordeling

2.1.
Loterijverlies heeft eerder bij wege van incident gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vordering van Staatsloterij kennis te nemen, dan wel het geschil verwijst naar een andere rechtbank. Loterijverlies heeft hieraan ten grondslag gelegd dat dit noodzakelijk is ter voorkoming van belangenverstrengeling en om de schijn van partijdigheid uit te sluiten. Bij vonnis in incident van 17 september 2025 heeft de rechtbank deze incidentele vordering van Loterijverlies afgewezen.
2.2.
Loterijverlies heeft de rechtbank verzocht om tussentijds hoger beroep te mogen instellen tegen het vonnis van 17 september 2025. Staatsloterij heeft bezwaar gemaakt tegen het verzoek van Loterijverlies.
2.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is, voor zover het vonnis in incident betrekking heeft op de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank, op grond van artikel 110 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen hogere voorziening toegelaten.
2.4.
Ten aanzien van de beslissingen in het vonnis in incident op het verzoek om verwijzing van de procedure naar een andere rechtbank, waaraan een beroep op artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie ten grondslag ligt en het verzoek om behandeling van de zaak door een meervoudige kamer, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank kan na een tussenvonnis te allen tijde, zolang geen eindvonnis is gewezen, desverzocht of ambtshalve – en na partijen te hebben gehoord – alsnog bepalen dat van het tussenvonnis tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld. Bij de beoordeling moet worden betrokken of het openstellen van hoger beroep leidt tot onredelijke vertraging van de procedure.
2.5.
Het openstellen van tussentijds hoger beroep zou naar het oordeel van de rechtbank een onredelijke vertraging met zich brengen. De rechtbank zal dus géén tussentijds hoger beroep openstellen van het tussenvonnis van 17 september 2025.
2.6.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
wijst het verzoek van Loterijverlies tot het openstellen van tussentijds hoger beroep tegen het vonnis van 17 september 2025 af;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Dam en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.
2339